Skip to main content

Ype Akkerman

Is het onderwijs bij de overheid nog in goede handen?

Er is geen enkele reden om de grondwettelijk geregelde vrijheid van onderwijs ter discussie te stellen. Wel zijn er alle reden om dat te doen met een ander onderdeel van artikel 23, nl. de ‘aanhoudende zorg van de Regering’. Want in die zorg heeft de regering wel erg opzichtig gefaald de afgelopen vier decennia. Dit is in 2016 al vastgesteld door de Commissie Dijsselbloem en sindsdien is het alleen maar erger geworden: een aantal grote financiële schandalen, afbrokkeling van de kwaliteit van het onderwijs, een afrekencultuur met prestatie-indicatoren, een hoge werkdruk, veel burn-out en een groeiend lerarentekort. Het is dus zeer de vraag of het onderwijs bij de overheid nog in goede handen is. Dit artikel biedt een analyse en bevat enkele voorstellen om uit deze impasse te komen. Het is wel een zaak van lange adem.

1. Achterhoedegevecht

Het kabinet van de liberaal Cort van der Linden heeft de vrijheid van onderwijs heel slim geregeld. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens toezicht. Anders gezegd, “je mag de kinderen bijbrengen wat je wilt, maar je mag het niet stiekem doen”. Het huidige maatschappelijk debat over de uitwassen van de onderwijsvrijheid laat zien dat dit arrangement werkt. Want dit debat kan op zich al een corrigerende werking hebben, of aanleiding zijn tot nadere regelgeving. Dit illustreert de waarde van dit grondwettelijk vastgestelde arrangement. De discussie over de regeling van de vrijheid van onderwijs als zodanig is dan ook een achterhoedegevecht.

2. Hoezo aanhoudende zorg?

Het echte probleem van art. 23 zit ‘m in feit dat de Regering zijn hand volstrekt heeft overspeeld met zijn verantwoordelijkheid voor de aanhoudende zorg. Hij heeft die verantwoordelijkheid zelfs misbruikt door te stimuleren dat grote instellingen en schoolbesturen ontstaan, door scholen steeds meer als concurrerende bedrijven te zien en door ‘afstandelijk bestuur’ in de hand te werken. Aldus heeft de Regering bevorderd dat onderwijsbeleid een exclusieve aangelegenheid is van een kongsi van grote schoolbesturen, sectororganisaties, adviescolleges, agentschappen en organisatiebureaus die aan leraren voorschrijven wat ze moeten doen, maar hen in feite hun vak en hun beroepstrots afpakken. Er is een afrekencultuur gecreëerd waardoor de burn-out onder leraren groot en het onderwijs een onaantrekkelijke werkgever geworden is. Zie daarvoor een essay van Waslander en Hooge[1]. Zelfs de vakbonden hebben zich daarin mee laten zuigen, maar daar komen ze op terug dankzij de wilde acties van een Gideonsbende van moedige leraren.

3. De burger betaalt het gelag

Opvallend is dat in het bovengenoemd essay ouders helemaal niet voorkomen, laat staan burgers die om andere redenen dan ouderschap belang hebben bij goed onderwijs. Dus ook in de onderwijssociologie en de bestuurskunde is de burger kennelijk compleet buiten beeld geraakt, wat vanuit wetenschappelijk oogpunt laakbaar is. Echter, bij de totstandkoming van artikel 23 in 1917 was de bestuurlijke verantwoordelijkheid van burgers, al dan niet met schoolgaande kinderen, een gegeven; het aantal bijzondere scholen was veel groter dan het aantal openbare. Schoolbestuur zat ook veel dichter op de dagelijkse praktijk zodat sprake was van een grotere praktijksensitiviteit. Op de openbare scholen was de sturing ook veel nabijer: de gemeenten waren kleiner en de gemeenteraden hadden daardoor een grotere rechtstreekse betrokkenheid. Naar schatting waren in de 70er jaren van de vorige eeuw zeker 50.000 burgers bestuurlijk verantwoordelijk in zo’n 5000 stichtingen, verenigingen en andere rechtspersonen zoals congregaties[2]. Het openbaar onderwijs viel onder ca. 850 gemeenten[3]. Die betrokkenheid is door de bestuurlijke schaalvergrotingen en de gemeentelijke herindeling tot ca. 10% gereduceerd, zowel kwantitatief als kwalitatief. Want de huidige besturen opereren afstandelijk en de Raden van Toezicht worden doorgaans bevolkt door klonen van zulke bestuurders. Het openbaar onderwijs is ondergebracht bij stichtingen waarop de gemeenteraad hooguit nog een indirecte invloed heeft (vgl. BOOR in Rotterdam). Daarmee is het openbaar onderwijs qua rechtsvorm bijzonder geworden.

De ontwikkelingen in de governance de afgelopen decennia geleid tot teloorgang van het vak van de leraar, maar ook tot een ernstig democratisch tekort.  Daar ligt een oorzakelijk verband, in die zin dat de afgenomen bestuurlijke verantwoordelijkheid van burgers bij het onderwijs geleid heeft tot slechter beleid op het terrein van personeel, financiën en inhoud, zowel pedagogisch als onderwijskundig. Want burgers hebben toch helemaal niet gevraagd om zo’n contraproductieve governance? Maar ze betalen wel het gelag, letterlijk en figuurlijk. Hoezo ‘Goed Bestuur’?

4. Spanningen tussen ouders en leraren

Veel ouders en andere belanghebbende burgers is dus hun bestuurlijke verantwoordelijkheid afgenomen. Ouders is bovendien aangepraat dat ze zich kunnen gedragen als consumenten in plaats van burgers die een publieke voorziening moeten dragen. Geen wonder dat veel leraren zoveel problemen hebben met ouders die voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Ouderbetrokkenheid anno 2019 komt erop neer dat machteloze leraren en machteloze ouders het maar met elkaar moeten zien te rooien. ossen we het wel op’. Maar in feite heeft de governance in het onderwijs de ouders en de leraren tegen elkaar uitgespeeld. Het doet denken aan de tabakslobby toen die terrein verloor aan de CAN, de Club van Actieve Niet-Rokers. “Samen lossen we het wel op” werd hun slogan en die ligt ook ten grondslag aan de heersende ideologie van de ouderbetrokkenheid.

5. Wat nu? Vier voorstellen

Laten we niet over één nacht ijs gaan. Dit is een complexe aangelegenheid en wat ontstaan is kun je niet zomaar terugdraaien. Daarom is bezinning vooraf cruciaal. Dan is het ook ‘Dijsselbloem-proof”. Derhalve deze vier voorstellen.

  1. Ouders krijgen een plek in de Onderwijsraad, net zoals dat enige jaren terug met leraren is gebeurd. Dat is een no-regret optie die snel kan worden geregeld.
  2. Een onderzoek met als hypothese: “De crisis in het onderwijs, gekenmerkt door prestatiedruk, burn-out, afnemende kwaliteit en toenemende achterstanden is een rechtstreeks gevolg van het feit dat burgers niet meer het bestuur vormen van de school”. Dit onderzoek gaat op ‘Popperiaanse’ wijze op zoek naar verificatie en falsificatie van deze stelling en ware aan te besteden via de tweede geldstroom van het Nationaal Regieorgaan Onderwijs (NRO).
  3. Een scenario-studie waarin de volgende vraag centraal staat: “Wat zou er gebeuren als alle bijzondere schoolbesturen verenigingen worden en al het openbaar onderwijs weer rechtstreeks onder de gemeente valt”? Je zou dit bij de Argumentenfabriek neer kunnen leggen of bij de NSOB.
  4. Experimenten met het ‘schoolcuratorium’. Dit houdt in dat bij een of meerdere scholen van een groot schoolbestuur de ouderraad wordt vervangen door een orgaan dat gemandateerd bevoegd gezag is. In dat curatorium zitten ouders maar ook andere betrokken burgers kunnen deelnemen. Binnen afgesproken financiële kaders met het grote schoolbestuur vormt dit curatorium het bevoegd gezag over de school, en is dus verantwoordelijk voor het personele, het financiële en het inhoudelijke beleid. Dit proberen we uit in 12 experimenten in den lande.

[1] https://www.nro.nl/wp-content/uploads/2014/10/Zicht-op-Sturingsdynamiek_405-14-401-integratierapport-Waslander-Hooge-Theisens.pdf
[2] Een schatting op basis van Van Kemenade et al: Onderwijs,: Bestel en Beleid. Groningen, 1981
[3] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/52/sterkste-daling-aantal-gemeenten-sinds-2001

Pedagogisch engagement: www.pedeng.nl

Toespraak met drie voorstellen over welzijnswerk voor Rotterdamse Raadscommissie

Ype Akkerman sprak op de vergadering van de Rotterdamse Raadscommissie Zorg, Onderwijs, Cultuur en Sport (ZOCS) op 17 juli 2019 over het welzijnswerk in het gebied Feijenoord en het brede ongenoegen over de performance van Humanitas, de organisatie die door voormalig wethouder Hugo de Jonge de welzijnsopdracht was gegund. Het was ook de tweede keer dat dit onderwerp in de raadscommissie aan de orde was. Aanwezig waren de gemeenteraadsleden van de commissie ZOCS en wethouder Sven de Langen.

Beste raadsleden, beste wethouder,

Een jaar of 14 geleden ben ik in de wijk Feijenoord komen wonen. Ik ben van Feijenoord gaan houden en ben me ook gaan inzetten voor de jeugd in de wijk, in het bijzonder voor de velen die zich op Feijenoord  met de jeugd engageren.

In die tijd was ik nog rijksambtenaar. In 2011 mocht ik de namens het Rijk de onderhandelingen doen met de gemeente Rotterdam over de inbreng van het ministerie van OCW in het Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Het viel me daarbij op dat de gemeente er heel goed in is aan te voeren dat Rotterdam Zuid een heel kwetsbaar gebied was, dat het daarom een status aparte verdient, en dat dit rechtvaardigt dat het Rijk met extra middelen en aanvullend beleid komt. OCW heeft dat gedaan: er kwam een interessante set van afspraken en het departement schonk  € 5,6 miljoen.

Ik was ook erg gemotiveerd om die onderhandelingen te doen. Omdat ik op die manier iets kon betekenen voor de Feijenoordse jeugd. En omdat de gemeente de Children’s Zone wilde invoeren. Dat zag ik helemaal zitten, want ik had op OCW ook al het idee ontwikkeld van een village to raise a child. De notie dat iedereen ertoe doet in de opvoeding en vorming van kinderen: ouders, bewoners, vrijwilligers, beroepskrachten uit alle pedagogische disciplines, sociaal ondernemers, werkgevers. Als die met elkaar in een hecht verbond een samenleving vormen dan kan de jeugd daarin gedijen en groeien. Op Feijenoord ontdekte ik dat het in de praktijk ook zo werkt. Als de Feijenoorders hand in hand gaan voor hun pedagogische opdracht dan gebeuren er mooie dingen, zo heb ik zelf al die jaren mogen ondervinden. Er waren veel activiteiten en die hebben enorm bijgedragen aan de saamhorigheid in de wijk. Zo’n ontwikkeling zou op Feijenoord ook door de gemeente worden gestimuleerd; dat was de Children’s Zone. Bovendien: Feijenoord zou een ‘focuswijk’ worden. Dan verwacht je dat alle instanties om de wijk heen gaan staan om er een plek van te maken waar je je kind graag op laat groeien.

Welnu, dat is allemaal behoorlijk tegengevallen. Als ik het gemeentelijk jeugd- en welzijnsbeleid op Feijenoord van de afgelopen 10 jaar samen moet vatten: gebrek aan consistentie, gebrek aan regie, gebrek aan investeringen, en gebrek aan empathie jegens de mensen van de dagelijkse praktijk. En een overdaad aan personele discontuïteit: het lijkt er wel een Afrikaans weeshuis. En de kinderen op Feijenoord zitten al vaak met hechtingsproblematiek.

Ik heb Hugo de Jonge de afgelopen jaren meerdere keren uitgenodigd om samen met de burgers en de wijkpartners te komen tot afspraken over de ontwikkeling van zo’n ‘village to raise a child’. Vergeefs. Ik heb ook de burgemeester daarvoor benaderd. Vergeefs. Ik ben opgegaan voor een Right to Challenge, zodat burgers zelf de verantwoordelijkheid zouden nemen voor het pedagogisch klimaat in de wijk. Vergeefs. En na die Humanitas-beslissing heb ik Hugo de Jonge gevraagd de nieuwe aanbieder aan te sporen om toch zoveel mogelijk van het goede wat er was te behouden. Vergeefs.

En wat het welzijnsbeleid betreft: in drie achtereenvolgende aanbestedingsrondes is alles wat er op Feijenoord aan samenlevingsopbouw en aan jeugdwerk was volledig teniet gedaan. De jeugd op Feijenoord is maar bitter weinig opgeschoten met 10 jaar gemeentelijk jeugd- en welzijnsbeleid. De gemeente Rotterdam levert niet de oplossing voor de problemen van Feijenoord; de gemeente ís één van die problemen, en niet de geringste.

Ik ben geen rijksambtenaar meer. Maar als ik het nog was, dan had ik de  bewindslieden er allang van op de hoogte gesteld hoe de gemeente zelf de status aparte die Feijenoord geniet in het Rijksbeleid veronachtzaamt. En hoe de burger daarbij ook altijd het nakijken heeft gehad. Het had een interessant gesprek opgeleverd met minister Kajsa Ollongren.

Maar ik ben eerst en vooral burger van deze stad, en daarom deel ik mijn waarnemingen met jullie, zodat jullie je er als volksvertegenwoordigers en als gemeentebestuur je voordeel mee kunt doen. Dat heb ik ook gedaan in de richting van de wijkraad Feijenoord.

Ik heb drie voorstellen:

Een onafhankelijk onderzoek, door de Rekenkamer, naar het gemeentelijk jeugdbeleid van de afgelopen 10 jaar op Feijenoord, inclusief de Children’s Zone en het welzijnsbeleid.

Ontbinding van het contract met Humanitas, en dat de welzijnsopdracht opnieuw wordt opengezet. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Doe daarbij twee dingen: a. dat aanbieders ook kunnen opteren voor een deel van de opdracht; b. dat de burgers een stevige stem hebben in het programma van eisen en in de besluitvorming.

Een jeugdkansenplan voor Feijenoord, waarbij gebruik gemaakt wordt van de extra middelen die het Rijk in het kader van het NPRZ beschikbaar heeft gesteld. Een voorstel van die strekking heb ik in de vorige collegeperiode al eens aan Marco Pastors en aan Sven de Langen gedaan. Ik leg het graag ook nog een keer aan jullie voor, als jullie daar prijs op stellen.

Beste mensen,

De kinderen en jongeren van Feijenoord, ze verdienen onze gezamenlijke inzet. Daarom eindig ik met deze prachtige aansporing van het grootste kind dat Rotterdam ooit heeft voortgebracht. Dat is Desiderius Erasmus.

“Laten we overwegen hoeveel we van onze kinderen houden, hoe veelzijdig en veeleisend een goede opvoeding is, maar ook hoe schitterend haar resultaat. Vergeet niet hoe vlot een kind alles opneemt en hoe soepel zijn geest is, hoe gemakkelijk het iets aanleert dat goed is en bij de menselijke natuur past, zeker als vriendelijke mensen het spelenderwijs weten aan te brengen”.

Ik wens de jeugd op Feijenoord heel veel van zulke mensen toe.

Zeer bedankt voor jullie aandacht.

Ype Akkerman, burger van Rotterdam

 

Ype Akkerman is voortrekker van Stichting Beroepseer
Pedagogisch engagement: www.pedeng.nl

Foto bovenaan is van Gerd Altmann

Ieder kind telt. Hand in hand voor nieuw jeugdkansenbeleid. Deel 1

Ieder kind telt. Ieder kind verdient het geliefd te zijn om wie het is en te worden uitgedaagd op wat het kan. Dat het beseft dat zijn leven waard is geleefd te worden, dat zijn talent en mogelijkheden uit de verf komen, en dat hij de kennis en de vaardigheden, de attitudes en de inzichten verwerft voor volwaardig samenleven en een eerbaar beroep. En, zoals Erasmus ons voorhoudt, het geluk te ervaren om te willen zijn wat je bent. Dat is in Nederland niet voor ieder kind weggelegd. Te veel kinderen groeien op in armoede, lijden onder kindermishandeling of zitten in andere toestanden die hun startpositie en jonge levensloop negatief beïnvloeden. Deze ‘sociale kwestie’ is inmiddels in tal van rapporten en adviezen voor het voetlicht gebracht. Ongelijkheid van kansen is slecht vanuit maatschappelijke en vanuit financieel-economische optiek, zo is genoegzaam bekend. Maar er ligt hier vooral ook een morele opdracht; komt het niet ieder kind toe te delen in het verheffingsideaal dat ons zo veel gebracht heeft?

Velen werken eraan

Kansengelijkheid is al langer onderwerp van publiek en politiek debat, vooral in de onderwijswereld. We beseffen echter steeds meer hoezeer armoede en gezinsomstandigheden de uitgangspositie van kinderen bepalen, en ook dat daar wel degelijk iets aan te doen valt. Maar laten we de velen niet vergeten die zich in andere disciplines en verbanden inzetten voor deze kinderen en jongeren, vrijwillig of beroepsmatig. Met elkaar vormen ze een geweldig potentieel, al die mensen die zich in de praktijk van alledag wijden aan deze belangrijke maatschappelijke en pedagogische opdracht: in gezinsondersteuning en opvoedingsvoorlichting, armoedebestrijding en schuldhulpverlening, babyzorg en vroege-jeugdvoorzieningen, speeltuinen en kinderboerderijen, wijkteams, jeugdhulpverlening en gezondheidszorg, geloofsgemeenschappen en onderwijs, sport en kunsten, bibliotheek, media en kinderboekenschrijvers, jongerenwerk en kindwelzijn, politie en justitie, sociaal ondernemers en de vele bedrijven die van betekenis zijn voor de vorming van jongeren en kansen bieden op sociale mobiliteit. Wie eigenlijk niet? De organisaties van waaruit deze mensen werken, de gemeenten en de Rijksoverheid hebben met elkaar maar één taak, dat is ervoor te zorgen dat dit werk ook daadwerkelijk en zo goed mogelijk uit de verf komt. Het betekent sturing die motiveert, beleid dat werkt, regels die kloppen, aanmoedigen van verbinding, waarborgen van duurzaamheid en geld waar nodig. Wat dat laatste betreft; schraalhans is keukenmeester.

Bestuur en beleid kunnen beter

Want wie zich in het overheidsbeleid verdiept moet vaststellen dat een gevoel voor urgentie te wensen overlaat. Je moet het hele Regeerakkoord doorploegen om maar enigszins een beeld te krijgen van wat het Kabinet met deze kinderen en jongeren voorheeft en dat levert een versnipperd en weinig samenhangend beeld op. Een beeld ook dat niet bepaald blijk geeft van een ferme wil. Er zijn gelukkig gemeenten die dat beter doen, al was het maar om dat zij een beter zicht hebben op het geheel en omdat ze het belang van de kwestie scherper zien. Maar worden zij door rijksbeleid en regelgeving voldoende ondersteund in hun jeugdkansenbeleid? Beleid en bestuur zijn bovendien nog sterk verkokerd en veel van de betrokken organisaties weten elkaar niet goed te vinden. Overigens heb ik ondervonden dat dit op het niveau van de dagelijkse praktijk veel minder het geval is. Daar voelen de mensen de hitte van de dag en als ze elkaar leren kennen ontdekken ze dat ze veel aan elkaar kunnen hebben en dat samenwerken loont. Maar kom je op de niveaus waar dit praktijkgevoel ontbreekt, dan scheiden de wegen en domineren de belangen.

Op naar een Jeugdkansenplan

Daarom komt er een Jeugdkansenplan. Tenminste, als het aan mij ligt. Dit plan gaat over alle en ieders inspanningen die nodig zijn als je effectief wilt werken aan de kwaliteit van leven van deze kinderen en een wervend toekomstperspectief. Het Jeugdkansenplan is een inclusieve benadering die iedereen die zich voor deze kinderen en jongeren inzet een plek heeft en motiveert het best uit zichzelf te halen voor deze opdracht. Die inclusiviteit is er ook op het niveau van beleid en bestuur. Het plan bevat de volgende onderwerpen en zet die bij elkaar in een samenhangend verband. Ze zijn ook onderling sterk vervlochten. 1. Ouderkracht 2. Stabiele gezinnen 3. Armoedebestrijding 4. Gezondheidszorg en jeugdhulp 5. Vroege jeugd 6. Onderwijs 7. Vrije tijd van kwaliteit 8. Mentoring 9. Werk 10. Villages to raise a child. In een volgend artikel werk ik dit verder uit.

Het perspectief van Putnam

Vergelijk het met het energiezuinig maken van je woning. Dan beperk je je niet tot één maatregel maar tref je daarvan een hele reeks die met elkaar het beste effect sorteren. Van dikke gordijnen tot zonnepanelen. Van radiatorfolie tot spouwmuurisolatie. Van dubbel glas tot een zuinige cv-ketel. Van geitenwollen sokken tot een warme trui en van vloerisolatie tot een slimme thermostaat. Deze maatregelen verschillen onderling op kosten, impact en op hoe lang het duurt voordat de investering eruit is. Met elkaar en in samenhang leveren ze het beste resultaat. Zo is het ook met de aanpak van kansengelijkheid. Die vergt een verscheidenheid aan maatregelen en dat maakt het een opdracht voor velen. De inclusieve benadering van het Jeugdkansenplan is goed terug te vinden in het betoog van de Harvard-socioloog Robert Putnam in zijn Our Kids [1] [2]. In deze wervende en wetenschappelijke doorwrochte publicatie beschrijft hij hoe en hoezeer in de VS de kloof tussen hoog- en laagopgeleid, welgesteld en armlastig, kansrijk en kansarm gegroeid is. Het is in Nederland weliswaar niet zo erg als in de VS, maar voor veel steden en wijken zijn er goede redenen om zijn analyse serieus te nemen. Dat geldt ook voor de oplossingen die Putnam bepleit om de ‘opportunity gap’ aan te pakken.

Het zijn ónze kinderen

Het Jeugdkansenplan is gebaseerd op de remedie die Putnam bepleit. Je kunt kansengelijkheid effectief aanpakken als je aangrijpt op alle relevante factoren en omstandigheden die die kansen uitmaken en dankzij de inzet van velen die zich aan deze belangrijke opdracht wijden. Putnam heeft het niet erg op met omvattende federale programma’s maar ziet de kansen veel meer in lokale en regionale initiatieven die voorbeelden zijn van zo’n inclusieve aanpak. Als voorbeeld noemt hij de Harlem Children’s Zone waar op het niveau van een stadsgebied gewerkt wordt aan de kwaliteit van leven, de vorming en de ontwikkeling van de jeugd, zeg maar vanaf de conceptie tot aan de jaren des onderscheids. Nu is Nederland maar een klein land dus een aanpak op nationaal niveau in combinatie met gemeentelijk initiatief kan hier heel goed. Verder is het van belang goede voorbeelden te scouten die ons inspireren en waaraan we ons op trekken; die zijn er volop. Robert Putnam doet tenslotte een indringend beroep op de maatschappelijke elites van zijn land zich te engageren met de vele kinderen die beter verdienen. Want, zo stelt hij: These kids belong to us, and we belong to them; they are our kids. Geldt deze oproep ook niet ons?

Bestuur en beleid dienen de praktijk

Het Jeugdkansenplan is er dus eerst en vooral voor de velen die zich in de praktijk van alledag inzetten voor deze kinderen en jongeren: ouders en anderen uit de naaste omgeving van de jeugd, vrijwilligers en professionals. Het beleid van de instituties en de overheden is daaraan dienstig. Bestuur en beleid leggen zich tenminste toe op de volgende vijf aandachtspunten:

  1. Praktijkrelevantie. Dat de mensen van de dagelijkse praktijk hun werk toegewijd, naar eer en geweten en vakbekwaam verrichten.[2] Dat heeft consequenties voor de governance en voor het agogisch handelen van bestuurders en beleidsmakers.
  2. Verbinding. Dat deze mensen elkaar opzoeken en weten te vinden in een gezamenlijke opdracht op wijk- en lokaal niveau. De instituties, de gemeenten en het Rijk volgen dit goede voorbeeld. Het Rijk doet dat door coördinatie en verbinding tussen alle relevante departementen: AZ, BZK, LNV, VWS, OCW, SZW, J&V, EZ en Financiën.
  3. Duurzaamheid. Dat die samenwerking op wijk- en gebiedsniveau gekenmerkt wordt door continuïteit. Dat geldt ook voor bestuur en beleid.
  4. Beleid dat werkt. Het Jeugdkansenplan biedt de mogelijkheid van een sterkte-zwakte analyse op de hierboven opgesomde terreinen. Op basis daarvan kan aanvullend beleid plaatsvinden en extra geld worden ingezet.
  5. Een sterke kennisbasis. Dat dit werk van de dagelijkse praktijk gevoed en ondersteund wordt met wetenschappelijke kennis. Dit veronderstelt een onderzoeksprogramma waarin alles wat we al weten over de aanpak van jeugdkansen gebundeld wordt, dat zicht geeft op werkende praktijken en dat nieuwe initiatieven wetenschappelijk begeleidt.

Laten we met elkaar gaan voor deze kinderen en jongeren. Vele handen maken licht werk. Is het geen prachtige opdracht?

Dat was het eerste onderdeel van een tweeluik. Het tweede deel volgt binnenkort.

Noten
[1] Robert Putnam. Our Kids. The American Dream in Crisis. New York 2015
[2] Deze trits in ontleend aan Howard Gardner’s kenmerken van Goed Werk: engagement, ethics en excellence.

Pedagogisch engagement: www.pedeng.nl

 

Over Rotterdamse helden en laffe bestuurders

De pastoor met de revolver en de grote zwarte hond

pastoor gompertzPastoor Gompertz was in het laatste kwart van de 19e eeuw actief op Feijenoord, het gebied dat zich sterk ontwikkelde op havengerelateerde bedrijvigheid. Ludovicus Gompertz, een kunsthistoricus met een late roeping als priester en met een sterke missionaire inslag had de bisschop expres gevraagd om op Feijenoord te mogen werken. Want daar kon hij met zijn inzet echt toegevoegde waarde leveren aan de gemeenschap, zo vond hij. De leefomstandigheden waren in die tijd abominabel. De vele arbeiders uit de zuidelijke provincies leden onder slechte werk- en woonomstandigheden en werden apert uitgebuit.

Met deze aardappeleters kwam er bovendien flink wat tuig van de richel mee waardoor Feijenoord ook een ronduit gevaarlijke leefomgeving werd. De overheidsbemoeienis beperkte zich tot de politie, de douane en -na het echec van Lodewijk Pincoffs – het havenbedrijf. Uit voorzorg liet Gompertz zich daarom dan ook vergezellen van een grote zwarte hond en stak hij een geladen revolver bij zich als hij op bezoek ging bij zijn parochianen. Maar zijn toewijding aan de mensen op Feijenoord was diep geworteld, en zo bouwde hij met zijn blote handen en tegen de verdrukking in aan een bloeiende parochie die sterk bijdroeg aan de beschaving van de bevolking en aan de opvoeding en ontwikkeling van de jeugd. Na ruim 10 jaar zware arbeid werd de pastoor ziek en overleed hij, aan een hartaanval. Bij zijn begrafenis werd duidelijk hoevelen hem in het hart hadden gesloten want de belangstelling was overweldigend.

Twee helden
Gompertz belichaamde bij uitstek het particulier initiatief dat Rotterdam groot gemaakt heeft.
Eric van ’t Zelfde is ook er zo één. Daarom schrok ik me wezenloos toen ik in de Volkskrant van 10 oktober over zijn wederwaardigheden las en over hoe hij stelselmatig in de steek gelaten werd door de autoriteiten. Autoriteiten die er zich bij het publiek op voor laten staan dat ze er alles aan doen om de perspectieven voor de Rotterdamse kinderen en jongeren te verbeteren en de mensen die zich voor hen inzetten een hart onder de riem te steken. Niet is minder waar, zo illustreert het relaas van Van ’t Zelfde.

Nu had ik zelf al een enkele kanttekening bij het gemeentelijk onderwijs- en jeugdbeleid, maar hier ontplofte ik. Het verschil met Gompertz’ tijd is namelijk dat er nu wel overheid is. Een gemeentelijke overheid die niet schroomt om, als het hem uitkomt, zich met de kleinste details van het maatschappelijke leven te bemoeien. Een overheid ook die het zich veroorlooft om zich onder het motto ‘doorzettingsmacht’ van beleid te bedienen dat dikwijls de plank misslaat en dat de facto blijk geeft van minachting voor de Rotterdammers die van de stad iets willen maken. Een overheid ook dat het particulier initiatief van de velen die zich inzetten voor de goede zaak bijna systematisch frustreert, alle mooie woorden over Kendoe en Rotterdamergerichtheid ten spijt.
Mijn belastinggeld gaat dus op aan een apparaat dat de maatschappelijke ontwikkelingen tegenhoudt en een ernstig gebrek aan engagement aan de dag legt jegens diegenen die bij uitstek de publieke zaak dienen. Van ’t Zelfde is dan ook niet de enige die door schade en schande ondervindt dat hij hier in zijn eentje de kastanjes uit het vuur mag halen.

Wegkijkwijken
Dit verwijt geldt overigens meerdere besturen. Want zijn de wijken waar Van ‘t Zelfde zijn leerlingen betrekt niet aangemerkt als ‘focuswijken’ in het kader van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid? En is dat niet een alliantie van het bevoegd gezag van Van’t Zelfde’s school, het Rotterdamse gemeentebestuur en het Rijk, gedirigeerd door ‘superambtenaar’ Marco Pastors? Is deze samenballing van ‘bestuurlijke en ambtelijke kracht’ dan niet bij machte om mensen als Van ’t Zelfde zo te ondersteunen, te koesteren en te beveiligen dat hij zijn belangrijke werk voor de jeugd kan doen zonder voortdurend over zijn schouder te hoeven kijken? “Wie aan Eric komt die komt aan mij”: ik moet de eerste bestuurder nog tegenkomen die dat publiekelijk zegt. Hoezo focuswijken? Het zijn wegkijkwijken.

Dit is geen incident
Ik kan uit ervaring spreken want ik woon zelf zo’n 10 jaar op Feijenoord, ook één van die wegkijkwijken. In die 10 jaar heb ik zeker 5 gemeentelijke operaties meegemaakt die tot doel hadden de pedagogische en educatieve kwaliteit van deze wijk op een hoger plan te brengen. Steevast werden zij zonder een deugdelijke evaluatie opgevolgd door een andere voordat ze goed en wel op stoom gekomen waren. En bij de Children’s Zone, het meest recente paradepaardje, is de prik er inmiddels ook al aardig uit. Kennelijk is in de Rotterdamse bestuurscultuur het ‘geen woorden maar daden’ zo gecultiveerd dat bestuurders zich liever storten in onoordeelkundige doenerigheid dan dat zich aan laten spreken op hun vermogen tot reflectie en doordachtheid. Dit tot schade van de kinderen en jongeren en tot weggevlucht vertrouwen van de velen die zich dagelijks voor hen inzetten.

Hoe komt het toch dat de jeugd in Rotterdam het zo slecht doet, vraagt deze en gene zich af. Welnu, de gemeente is het grootste probleem. Want met dit slappe, hapsnappe en hersenkrappe jeugd- en onderwijsbeleid zijn de kinderen en jongeren veel slechter af dan mogelijk zou zijn geweest, als de gemeente al veel eerder duurzaam beleid had gevoerd dat in elk geval blijk geeft van een grote pedagogische fijngevoeligheid. Ik zal het daarbij maar niet hebben over de rekening die de burger voor al dat lamlendige beleid heeft moeten betalen.

Minachting
Ook op Feijenoord zijn er velen met een zelfde inzet en toewijding als die van Van ’t Zelfde. Ook zij worden sinds jaar en dag door de gemeentelijke overheid genegeerd. Door de onverschilligheid van achtereenvolgende colleges en hun sterke neiging het beleid vooral vanuit de leunstoel te voeren, worden deze Feijenoordse ‘best persons’ niet gezien, laat staan gerespecteerd en gewaardeerd. Het gevolg is ook dat ze de grote geldstromen van het onderwijs -en jeugdbeleid voortdurend en volkomen ten onrechte aan hun neus voorbij zien trekken. Beter kan het gebrek aan engagement van het gemeentebestuur jegens de Rotterdammers op Zuid niet worden geïllustreerd. En tot overmaat van ramp moeten deze helden ook nog dat hypocriete en wereldvreemde Kendoegelul aanhoren.

Gebakken lucht
André van der Louw, één van de voorgangers van de huidige burgemeester, kwam ooit enthousiast terug van een bezoek aan Chicago, de ‘windy city’. Ja, dat was Rotterdam eigenlijk ook want hier waait de wind ook altijd zo lekker tussen de wolkenkrabbers. Van der Louw had echter niet door dat ‘windy city’ niet slaat op de weersomstandigheden maar op enorme hoeveelheden gebakken lucht die het gemeentebestuur van de tweede stad van de VS over zijn inwoners pleegt te verspreiden. Ik weet niet of Van der Louw met die kennis de vergelijking met Chicago nog gepast zou vinden, maar de man had zijn ogen natuurlijk niet in zijn zak.

Kenhoe?
Burgemeester Aboutaleb zal tijdens het landelijke Kendoecongres*) op maandag 12 oktober 2015 wel weer de gebraden haan uithangen en hoog opgeven van ‘De Rotterdamse Aanpak’ in de herijking van de verhoudingen tussen bestuur, burgers en de vele anderen die zich inzetten voor de ontwikkeling van de stad en van zijn jeugd. De bezoekers zullen zich er ongetwijfeld door laten begoochelen want weten zij veel? Maar de Rotterdammerts die echt blijk geven van een Kendoementaliteit weten beter en doen er maar wijselijk het zwijgen toe.

gevelsteen gomptertz

De tekst op de gevelsteen luidt: “Het geloof behoedt de rede voor dwaling. Pastoor Gompertz Stichting”.
De tekst is wat weggevaagd maar dat is ook de schuld van het Rotterdamse gemeentebestuur.

*) De Kendoe-democratie, Landelijk congres in Rotterdam, 12 oktober 2015, van 15.15 – 21.00 uur wordt gehouden in het Stadhuis,  Coolsingel 40 (Burgerzaal) Rotterdam: https://issuu.com/diynow/docs/vooraankondiging_congres_kendoe-dem

Schooldirecteur vertrekt als overheid niet radicaal haar koers wijzigt, Blogs Beroepseer, 2 oktober 2015: https://beroepseer.nl

Over Rotterdamse helden en laffe bestuurders, door Ype Akkerman, Pedagogisch Engagement, 12 oktober 2015: http://www.pedeng.nl (niet meer beschikbaar op Pedeng.nl)

Erasmus’ ode aan thuisonderwijs

“Neem thuisonderwijs als norm en beschouw het georganiseerde onderwijs als redelijk alternatief”. Dat is de kern van dit betoog dat als vertrekpunt heeft dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren primair bij de ouders berust.

Thuisonderwijs is de manier om die verantwoordelijkheid waar te maken, en die verdient dan ook lof en waardering van de overheid en van de samenleving. Dat is niets ten nadele van de overgrote hoeveelheid ouders die goede redenen hebben om gebruik te maken van het reguliere onderwijs. Zo vindt een omkering plaats van het bestaande paradigma waarin regulier onderwijs de regel is en thuisonderwijs niet of slechts bij hoge uitzondering wordt toegestaan. Mijn artikel is geïnspireerd op een pleidooi van Erasmus, en dient als inbreng in de actuele discussie over thuisonderwijs.

Klik hier voor mijn betoog Erasmus’ ode aan thuisonderwijs op mijn website: www.pedeng.nl

latijnse school deventer erasmus snijraam

Desiderius Erasmus, Latijnse School, Deventer, snijraam van Ela Venbroek-Franczyk
Non scholæ sed vitæ discimus = Leren doe je niet voor de school, maar voor het leven (Seneca)

Tot volgend jaar in Rotterdam!

“Volgend jaar in Rotterdam!”
Dat waren de slotwoorden op de manifestatie van Leraren met Lef, afgelopen zaterdag 9 maart 2013 in Amsterdam. Leraren met Lef is een landelijke beweging van inmiddels zo´n 1000 leraren die zich sterk maken voor hun vak en hun eigen professionele ontwikkeling. www.lerarenmetlef.com.
Een aanstekelijke beweging van mensen waar je je eigen kind graag aan toevertrouwt, zullen we maar zeggen. Dat bleek ook wel afgelopen zaterdag in de sfeer, de presentaties, de gesprekken en de discussie met minister Jet Bussemaker. Uit veel blijkt ook dat zowel de minister als haar medewerkers van OCW zich graag verbinden aan dergelijk initiatief van leraren, en met leraren zelf.

Uiteraard zijn er ook Rotterdammers gespot: zoals leerkrachten van verschillende basisscholen waaronder de Globetrotter, Dorothee van Kamman van de Thomas More Pabo en een aantal van haar studenten, mensen van The Crowd, Dico Krommenhoek en ondergetekenden.

Dit jaarlijkse initiatief vond in Amsterdam plaats omdat deze week in de hoofdstad ook de zgn.Teachers Summit plaatsvindt: https://www2.ed.gov. Dit is een internationale top van politici, beleidsmakers, bestuurders, leidinggevenden en leraren uit de 20 meest toonaangevende landen op onderwijsgebied. Dat leraren op die summit goed vertegenwoordigd zijn, zegt veel over de groeiende erkenning voor hun grote betekenis voor de kwaliteit van het onderwijs.

Leraren met Lef past in een beweging waarbij leraren zelf staan en gaan voor hun vak. Enorm belangrijk want eerst en vooral is het de leraar die de kwaliteit van het onderwijs bepaalt. We zijn in het onderwijs immers niet uit op beroepskrachten die slechts uitvoerders zijn van beleid dat door anderen bedacht is, maar met zelfbewuste, integere en excellent werkende vaklieden. Dit geldt overigens ook voor professionals uit de andere beroepsgroepen die zich inzetten voor positief jeugdbeleid en voor de Children´s Zone.

Leraren staan voor hun vak

In die benadering past ook het recente advies van de Onderwijsraad Leraar zijn (www.onderwijsraad.nl). Dit advies is gepresenteerd op een bijeenkomst op donderdag 7 maart jl. in de CSG Calvijn Vreewijk, de Excellente School van Rotterdam Zuid. Anders dan gebruikelijk in het lerarendiscours wordt in het advies niet van buitenaf naar de leraar gekeken, maar van binnenuit: naar zijn beleving, zijn beroepstrots, drijfveren, dilemma’s, vreugde en verdriet en diens persoonlijke professionaliteit. Gezien dus door de ogen van de leraar zelf; de ‘lijst met geraadpleegde deskundigen’ bevat ruim 140 leerkrachten. Het advies gaat vergezeld van een mooi boekje over de persoonlijke professionaliteit van leraren. Zo krijg je aan de hand van 8 portretten een uitnodigend beeld van wat de leraar motiveert en beweegt.

Overigens zijn die leraren ook in Rotterdam te vinden, bijvoorbeeld via www.thecrowd.nl (so you think you can teach)*). Of het initiatief  van de Globetrotter in Afrikaanderwijk, wat een antwoord is op de vraag hoe het verder moet met lezen nu in de wijk de bibliotheek wordt gesloten. Als je wat langer je blik richt op het onderwijs op Noord en Zuid, dan kom je voortreffelijke professionals tegen.

Dat volgend jaar de LML manifestatie in Rotterdam plaatsvindt biedt natuurlijk prachtige mogelijkheden om ook de Rotterdamse leraar een hart onder de riem te steken in het vaak moeilijke werk waar hij voor staat, zeker op Zuid. We hebben de organisatie toegezegd mee te helpen bij het vinden van een mooie locatie op Zuid. Ook de aanwezige Rotterdamse leraren waren bereid voor dit event de handen uit de mouwen te steken. Dat lijkt ons alle steun waard. Laten we onze oren en ogen open houden voor de mooie initiatieven die in Rotterdam ontstaan.

Nanda de Graaf en Ype Akkerman

Zie ook video Pedagogisch vakmanschap op Rotterdam Zuid met Ype Akkerman over Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ).

U P D A T E
Noot
*) Vereniging The Crowd is niet meer actief. Lees het artikel over The Crowd en de cursus ‘So you think you can teach’? in dagblad Trouw: Een alternatief voor eenheidsworst-onderwijs, door Rebecca van de Kar,