Pleidooi voor een Stichting voor Beroepskwaliteit

beroepskwaliteit

Ik lanceer hier graag het idee om een Stichting voor Beroepskwaliteit op te richten. Dit voorstel deden Gabriël van den Brink, Jos Kole en ik in 2009 in de slotbeschouwing van ons boek Beroepstrots. Een ongekende kracht. We achtten er toen de tijd nog niet rijp voor. De tijd begint er nu wel rijp voor te worden:

– Er is een groeiend aantal beroepseer-bewegingen in Nederland waaronder bijvoorbeeld Het Roer Moet Om, PO in  Actie, VO in Actie, WO in Actie, het Lerarencollectief, de commissie-Boerenverstand, Hart voor de GGZ, GGZ op maat.
– Traditionele werknemersorganisaties zien steeds meer het belang van beroepskwaliteit (naast dat van arbeidsvoorwaarden).
– Er is de afgelopen jaren groeiende, officiële steun voor het belang van beroepseer bij adviesorganen, getuige bijvoorbeeld  het recente advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving Blijk van vertrouwen. Anders verantwoorden voor goede zorg.

Reden voor mij om het betreffende pleidooi uit ons boek licht te actualiseren en opnieuw onder de aandacht te brengen.

Krachtigste drijfveer van professionals is hun zelfrespect

Richard Sennett betoogt in zijn boek The Craftsman1) dat de moderne wereld twee recepten heeft gekend om hard werken en goed werk te stimuleren. Het eerste is een sterke overheidssturing, zoals in de Sovjet-Unie gebeurde op basis van het parool: ‘Lever goed werk voor je vaderland.’ Deze hiërarchische besturingsfilosofie heeft geleid tot onverschilligheid en demoralisering op de werkvloer, en daardoor ook tot slecht werk. Het tweede, nog veel gebruikte recept is concurrentie. Men veronderstelt dat strijden tegen anderen het verlangen om goed te presteren stimuleert. Sennett komt tot de conclusie dat beide recepten gefaald hebben.

Binnen de in ons boek Beroepstrots ontwikkelde neorepublikeinse filosofie gaan wij ervan uit dat de beste en krachtigste drijfveer van professionals hun zelfrespect is. Dat zelfrespect van de professional heeft drie verschillende ‘lagen’: het gevoel voor eigenwaarde, beroepstrots en beroepseer. Het laat zich voorstellen als een gang van binnen naar buiten, van individueel naar sociaal, van de eigen persoon naar anderen.2)

Deze bestuursfilosofie zien wij als alternatief voor de gangbare, veelal bedrijfseconomisch geïnspireerde zienswijze. Deze sloot en sluit aan bij de  onderstroom onder professionals die in de (semi)publieke sector werken. Zij willen in toenemende mate als professional erkend worden, verzetten zich tegen hiërarchische vormen van aansturing en hebben grote moeite met de bedrijfseconomische modellen die door beleidsmakers en managers voor het aansturen van hun werk gehanteerd worden. Dit blijkt uit bewegingen zoals de hierboven genoemde. Dat streven naar zelfrespect vormt in onze neorepublikeinse bestuursfilosofie het uitgangspunt. Daarin staat de vraag centraal hoe men dat streven naar beroepstrots op een positieve manier kan aanwenden. We verbinden daar zowel positieve als negatieve conclusies aan. De negatieve conclusie houdt in dat we afstand moeten nemen van de idee dat de professional in de eerste plaats een calculerend wezen is. We moeten ook de illusie loslaten dat men hem of haar door middel van targets of anderszins kwantificeerbare metingen kan aansturen. En er zou een einde moeten komen aan de sfeer van argwaan of wantrouwen die de houding tegenover professionals nog steeds bepaalt.

In meer positieve zin pleiten wij ervoor om de aansturing van de professionals te baseren op het voeren van strijd, debat of dialoog. Daar is alle reden toe, omdat zich in de professionele realiteit niet één, maar meerdere, onderling vaak incongruente waarden en ambities aandienen. Met het oog op een elementaire ordening onderscheiden we tussen technisch-professionele, rechtsstatelijke, bedrijfsmatige en humane beginselen. Wat moet worden vermeden is een situatie waarin slechts één van deze vier beginselen de dienst uitmaakt. Wat we daarentegen moeten nastreven is een stelsel van ‘teugels en tegenwichten’ waarbij  – afhankelijk van de concrete situatie – een zekere balans tussen deze vier waarden kan ontstaan. Het zoeken naar die balans speelt zich af op drie niveaus. Het is een taak voor de individuele beroepsbeoefenaar – microniveau -, het speelt zich binnen de organisatie af – mesoniveau -, en het zou moeten gebeuren voor de samenleving als geheel -macroniveau.

Het zoeken naar een dergelijke meervoudige balans vooronderstelt enkele zaken. Op het niveau van de individuele professional is noodzakelijk dat deze over de juiste vorming en oefening beschikt. Het omgaan met uiteenlopende waarden zou dus een integraal onderdeel van elke beroepsopleiding moeten zijn. Verder moet er voldoende ruimte voor het individuele geweten zijn om te voorkomen dat de professional die naar eer en geweten voor een bepaalde aanpak kiest, alsnog op bedrijfseconomische of politieke gronden teruggefloten wordt. Bij het vormgeven van de beoogde balans binnen de organisatie zien wij een bijzondere rol voor managers. Het is hun specifieke taak om te bemiddelen tussen de krachten die buiten en binnen de organisatie werkzaam zijn en om vorm te geven aan het proces van debat of dialoog waarmee de professionals binnen de instelling een balans tussen uiteenlopende waarden nastreven. Bovendien kunnen managers een specifieke richting uitzetten waarbij hun organisatie zich door een eigen mix van waarden ten opzichte van anderen profileert. Bij het streven naar ‘teugels en tegenwichten’ op het niveau van de samenleving als geheel zien wij een hoofdrol weggelegd voor de beroepsorganisaties. Naar onze mening brengt de eigen dynamiek van het professionele leven met zich mee dat men zaken als kwaliteit en doelmatigheid niet langer vanuit de staat kan aansturen.

Daarmee formuleren wij een filosofie die in het teken staat van verantwoordelijkheid en zelfrespect, van debat en dialoog, van waarden en beginselen, van zelfbinding en burgerschap. Een fundamenteel uitgangspunt van onze neorepublikeinse visie is dat men de actieve betrokkenheid van professionals en andere partijen nodig heeft om twee vragen te beantwoorden. Ten eerste de vraag wat we nu eigenlijk onder goede dienstverlening moeten verstaan, en ten tweede de vraag hoe men een voldoende breed en duurzaam draagvlak voor het werken aan die kwaliteit organiseert. Precies op deze punten onderscheiden wij ons ook van een bedrijfseconomische benadering, waarin men die vragen wil beantwoorden door in te zetten op rationalisatie en marktwerking.

Het onvermogen van de overheid

Niettemin kan men de vraag stellen of er geen andere manieren zijn om een bepaald niveau van professionele kwaliteit te realiseren. Zo kan men de staat inschakelen en taken als kwaliteitscontrole of toezicht op doelmatigheid als een functie van de overheid beschouwen. In dat opzicht is met name de bijdrage ‘De regulering van professionals: twee botsende perspectieven’ van Wibren van der Burg uit ons boek Beroepstrots instructief. Hij gaat daarin  na wat de verhouding tussen het perspectief van professionals en dat van toezichthouders is. Hij concentreert zich op het meest elementaire geval, waarbij toezichthouders vanuit de staat denken terwijl de professionals voornamelijk uitvoerend bezig zijn. Op zichzelf is bemoeienis vanuit de staat met het doen en laten van de professionals volkomen legitiem, al was het maar vanwege de grote bedragen die aan de (semi)publieke sector besteed worden of omdat de staat bepaalde publieke prioriteiten stelt. Enige controle door de overheid is dus onvermijdelijk. De moeilijkheid is evenwel dat aansturing of controle vanuit de overheid altijd op een specifieke manier gebeurt. Om te kunnen reguleren moet de staat vereenvoudigingen doorvoeren, standaardiseren, meetbaar maken en een bepaald niveau van aggregatie vaststellen, terwijl de professionele praktijk zich juist aan een dergelijke behandeling onttrekt. Bijgevolg wordt de relatie tussen staat en professionals gekenmerkt door een fundamentele asymmetrie, die Van der Burg met een viertal verschillen illustreert.

Ten eerste gaat de staat van een aantal  – al dan niet wettelijke – regels uit, terwijl de professionals vooral door waarden of idealen gemotiveerd worden. Dit laatste houdt niet alleen verband met hun voortdurende streven naar kwaliteitsverbetering, maar ook met de wijze waarop zij tijdens hun opleiding en professionele bestaan gesocialiseerd worden. Er leven binnen de beroepsgroep altijd verhalen, beelden en verwachtingen over het verschil tussen een goede en een minder goede beroepsuitoefening. Als buitenstaander van het beroepsleven kan de staat deze verwachtingen niet waarnemen. Hij beschouwt het beroep op waarden of idealen als vaag gedoe en wil de kwaliteit het liefst met regels vastleggen.

Ten tweede heeft de staat belangstelling voor concrete producten of uitkomsten, terwijl professionals met name oog hebben voor datgene wat er tijdens hun praktijk gebeurt. Ze zijn de hele dag met burgers, leerlingen, patiënten of buurtbewoners in de weer, en ze proberen hun werk zo goed mogelijk te doen. Ze zijn minder bezig met de vraag wat het uiteindelijk oplevert, als ze die vraag vanuit hun praktijk al relevant achten. Vaak is het bijzonder moeilijk om te achterhalen wat een politieagent, een huisarts of een rechter zoal ‘produceert’. De staat krijgt geen inzage in de fijne kneepjes van het proces en moet zich tevredenstellen met het tellen of beoordelen van de uitkomsten.

Ten derde zet de staat bij voorkeur in op het verzamelen van kwantitatieve gegevens, terwijl de professionals werken met kwalitatieve oordelen. Uiteraard zijn ook de professionals voortdurend met metingen en getallen in de weer, maar die zijn bedoeld om zich een oordeel over de kwaliteit van hun werk te kunnen vormen. Bij dat oordeel spelen niet alleen de cijfers maar ook allerlei vormen van ervaring en tacit knowledge mee, die beoefenaren van een beroep nu eenmaal met elkaar gemeen hebben. Een overheid gaat juist van het omgekeerde uit: voor haar tellen kwaliteit en professionele oordelen pas mee wanneer men die in kengetallen kan omzetten.

Ten vierde streeft de staat algemeen toepasbare kennis na, terwijl de kennis van professionals aan de lokale context gebonden blijft. De praktische kennis die een agent over de situatie in zijn wijk bezit, kan niet zonder meer op een theoretisch niveau getild worden. De ervaringen van een leerkracht met specifieke groepen leerlingen kunnen niet zomaar in een algemeen bruikbare methode worden omgezet. In feite leven regelstellers of toezichthouders op staatsniveau en uitvoerende professionals in verschillende werelden. Een overheid gaat ervan uit dat de professionals haar regels serieus nemen, maar voor de professionals zelf is de staat een verre instantie, die zich op een weinig deskundige manier in hun eigen zaken mengt. Zij geven voorrang aan de urgente vragen die ouders, werklozen, patiënten of verdachten aan hen voorleggen, en ze liggen niet wakker van een ambtenaar die een paar nieuwe regels heeft bedacht. Opmerkelijk genoeg nemen ze regels die door hun eigen collega’s worden opgesteld vaak bijzonder serieus. Professionals zullen niet snel de hand lichten met de hygiënische voorschriften bij een operatie in het ziekenhuis of met de controles aan een vliegtuig voorafgaand aan de vlucht. Die regels zijn immers gericht op de kwaliteit van het werk.

Een Stichting voor Beroepskwaliteit

 Gezien deze argumenten verwerpen wij de opvatting dat het toezicht op professionele kwaliteit een zaak is voor de overheid. Er bestaat op het niveau van de samenleving als geheel wel degelijk behoefte aan een manier om die kwaliteit te waarborgen, maar dat lijkt ons eerder een taak van de eigen beroepsorganisaties dan van de overheid. Juist die beroepsorganisaties zouden ervoor kunnen zorgen dat het streven naar ‘teugels en tegenwichten’ niet alleen op het niveau van de individuele professional  -microniveau – en het niveau van de professionele organisatie  – mesoniveau – maar ook op het niveau van de nationale samenleving  -macroniveau – vormt krijgt.

Kenmerkend voor de publieke sector is dat vakbonden lange tijd sterk gericht zijn geweest op de  – financiële – randvoorwaarden van de beroepsuitoefening. Met vakinhoudelijke zaken en de strategische uitdagingen op dát gebied zijn ze veel minder in de weer geweest. In feite kan men de twee kanten niet van elkaar losmaken. De nuchterheid gebiedt te zeggen dat er op dit punt vooralsnog aanzienlijke verschillen bestaan tussen beroepsgroepen. Sommige hebben zich vakinhoudelijk sterk georganiseerd, terwijl andere heel zwak in hun schoenen staan. Maar, hierin is wel verandering aan het komen.

Vooralsnog zijn er vrijwel geen procedures of organen waar het afwegen van de verschillende waarden in de beroepsuitoefening min of meer systematisch aan de orde komt. Wij pleiten voor een eigenstandig overlegorgaan, de Stichting voor Beroepskwaliteit. Hierin organiseren de belangrijkste beroepsgroepen zich vakinhoudelijk op nationaal niveau omdat zij de urgentie van een gezamenlijke vakinhoudelijke belangenbehartiging zien. De tijd lijkt daar rijp voor!

Noten
1) Richard Sennett, The Craftsman, New Haven: Yale University Press 2008, in het Nederlands vertaald als De ambachtsman. De mens als maker, Amsterdam; Meulenhoff 2008. Zie in vertaling p. 318 en p. 36.

2) De nauwe relatie tussen zelfrespect en erkenning is in de afgelopen decennia een steeds belangrijker thema in de politieke en sociale filosofie geworden. De aanzet daartoe is geweest: Axel Honneth, The Struggle for Recognition. The Moral Grammar of Social Conflicts, Cambridge: Polity Press 1995. Zie de voortreffelijke bundel over het denken van Honneth: Recognition and Power, Bert van den Brink en David Owen (red.), New York: Cambridge University Press 2007. Zie ook o.a. Rainer Forst, Contexts of Justice. Political Philosophy beyond Liberalism and Communitarianism, Berkeley: University of California Press 1994. En: Paul Ricoeur, Parcours de la reconnaissance. Trois études, Parijs: Stock 2004.

 

Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Nieuwsbrief ontvangen?

Wij houden u graag op de hoogte van actuele ontwikkelingen binnen Stichting Beroepseer.  Wilt u onze nieuwsbrief ontvangen? Dan kunt u zich hieronder aanmelden.

Contact

Adres:
Godfried Bomansstraat 8, Unit 15
4103 WR Culemborg

Email:
info@beroepseer.nl

Stichting Beroepseer

© Stichting beroepseer