Aanbevolen boeken III

Het bezwaar van de leraar

Omslag van Het bezwaar van de leraar door Ton van HaperenRapporten van twee staatscommissies brengen in 2008 het gevoerde onderwijsbeleid aan het wankelen. Een ware revolutie. De voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie Jeroen Dijsselbloem zegt letterlijk dat wat er nog goed gaat in het onderwijs dat enkel en alleen te danken is aan de vakbekwaamheid van leraren die ondanks het beleid gewoon hun werk zijn blijven doen. Het rapport veegt drie decennia onderwijspolitiek van tafel.
De parlementaire enquête heeft impact, is een referentiekader voor latere gesprekken, maar de politiek neemt Kamerbreed geen enkele verantwoordelijkheid voor de situatie. Bewindslieden en parlementariërs houden de bestaande stelsels in stand. Het argument? Het onderwijs heeft rust nodig. De stelsels blijven zoals ze zijn. Daardoor verandert er weinig op de werkvloer.

Docent Ton van Haperen kent het onderwijs van binnenuit. Sinds 1996 maakte hij luidruchtig in de media bezwaar tegen het studiehuis, tegen het bekostigingsstelsel, tegen het vmbo, tegen de basisvorming. Hij zal uiteindelijk gelijk krijgen.

Het onderwijs kent twee kanten. Aan de ene kant is er het dagelijkse werk in de klas. Aan de andere kant staan decennia van falende onderwijspolitiek. Die tegengestelde krachten trekken de verschillende partijen uit elkaar. Bestuurders, leraren, schoolleiders, ouders en leerlingen drijven van elkaar weg. Ze lijken ieder hun eigen spel te spelen, gericht op hun eigen winst en ze kijken steeds minder vaak naar het gemeenschappelijke. De win-win-situatie die ontstaat door gebruik te maken van elkaars kwaliteiten is langzaam maar zeker uit het stelsel gesijpeld.
Er komen op de Nederlandse middelbare scholen individueel best succeservaringen voor, maar collectief niet. We worden hier allemaal slechter van. Die stelling roept vragen op, aldus Van Haperen in de Proloog, Want hoe werkt het precies? Hoe ziet de desintegratie eruit? En hoe kan dit almaar doorgaan? Waar blijven de evenwicht herstellende correcties van overheid en markt? Om antwoord op deze vragen te geven, heeft Van Haperen zijn boek geschreven.

In Het bezwaar van de leraar vertelt hij zijn verhaal aan de hand van zijn eigen ervaringen en observaties. Hoe hij als leraar begon, wie hij is geworden. Hij geeft ook analyses op basis van bronnen en de betekenis daarvan voor een type leraar zoals hij. Hij geeft al dertig jaar les in het vak economie op een middelbare school in een dorp onder Eindhoven, leidt twintig jaar leraren op aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit Leiden en schrijft al twintig jaar over onderwijs in kranten en tijdschriften waaronder Het Onderwijsblad. Hij heeft ervaring met lesgeven aan dertig leerlingen in een klaslokaal. Hij weer waarover hij schrijft.
Het boek heeft drie hoofdstukken, een proloog en een epiloog. Hoofdstuk 1 gaat over Het schoolbestuur als middeleeuwse organisatie. Hoofdstuk 2 over Leerlingen worden slimmer, leraren niet, en hoofdstuk 3 over Leren voor het examen is niet hetzelfde als leren.

De epiloog begint Van Haperen met een rake opmerking: Het onderwijs kent een eigenaardig publiek debat. Op hoge toon in de media uitgewisselde beelden zweven boven het werk in de klas. Leraren, bestuurders, onderzoekers en politici praten vooral over elkaar. Allemaal willen ze hun gelijk. Het beeld van wat dat is, een middelbare school, een leraar, wat hij kinderen leert, hoe dat kan en misschien wel moet, iedereen verkondigt het eigen gelijk. Voorgestelde verbeteringen verzuipen in dit meningenmoeras. Dat moet anders. Maar hoe? Met een revolutie natuurlijk!
Hiermee wordt bedoeld een praktijkrevolutie in het onderwijs. Alle koningen, edelen, jonkvrouwen, luchtfietsers, organisatiegoeroes, management-dromers eruit. En de praktijkmensen aan het roer. Een school is een school. Geen maatschappelijke onderneming. De beste leraar is de baas. Als eerste onder zijns gelijken.
Verder: de beginselen van goed bestuur terugbrengen. Een nieuw werkbaar en effectief evenwicht tussen vrijheid regels en zelfbinding. Leraren hebben vrijheid en autonomie in hun lesontwerpen, toetsing, materiaalkeuze en professionele ontwikkeling. Ze hebben daar ook tijd voor. En ruimte voor eigen beslissingen die bij hun passen. Maar er zijn ook regels die zeggen: je bent wel bevoegd, je hebt het vak dat je doceert bestudeerd, je bent aanspreekbaar op de kwaliteit van en de ontwikkeling in je werk.
Ziehier een aantal zaken die Van Haperen voorstelt.

Er zijn er meer. Wat vast staat is dat de enige die succesvol onderwijs kan terugbrengen de leraar is. Onderwijs gebeurt in de klas, niet op kantoor.
Van Haperen besluit met een scenario voor de wederopbouw van scholen na de revolutie. Het uitgangspunt bij de inrichting van de nieuwe middelbare school is: iedereen doet waarin ie goed is en verspilt geen energie aan activiteiten waar die slecht in is. De overheid heeft ambtenaren in dienst die verstand hebben van regels, onroerend goed en beheer. Dat is wat zij doen. Bewezen goede leraren geven leiding aan het onderwijs op de scholen. Leraren voeren dat uit. En zijn daarop aanspreekbaar. Iedereen krijgt een voorlopige aanstelling. Bij onvoldoende ontwikkeling is er nog een jaar voor verbetering, daarna wordt bij onvoldoende groei de aanstelling beëindigd. Zonder problemen.
In de laatste regels van het boek klinkt weemoed door. Ze zullen de lezer ongetwijfeld raken. Van Haperen is een leraar in hart en ziel, een die strijdt voor zijn beroep en die het niet kan verkroppen dat zijn onderwijs afglijdt naar een kil, technocratisch-bureaucratisch stelsel.  Wie is nu eigenlijk de baas over eigen werk? De mensen op de werkvloer? Zijn we allen gevangenen van de door ons zelf geconstrueerde stelsels?

Het is tijd voor een omwenteling. Volgens Van Haperen is het de enige uitweg. Het kan anders. Moeilijk hoeft het niet te zijn. De Berlijnse Muur viel op een paar incidenten na geweldloos om, bijna als vanzelf. Zo krachtig kan bewustwording gepaard aan  noodzakelijk handelen werken.

Het bezwaar van de leraar – Hoe slecht beleid de Nederlandse school vernielt, door Ton van Haperen, uitgeverij Amsterdam University Press, 212 p., 2018, € 14,99.

De terugkeer van het lesgeven

omslag de terugkeer van het lesgeven gert biestaIn het hedendaagse onderwijs lijkt de rol van de leraren geminimaliseerd te zijn. Ze moeten een ‘coach’ zijn of een ‘lerende onder lerenden’ en leerlingen moeten vooral ‘autonoom leerstof tot zich kunnen nemen’.
Gert Biesta denkt daar anders over. Hij pleit in zijn nieuwe boek voor ‘de terugkeer van het lesgeven’. Het is het vierde boek in een serie die aanvankelijk bedoeld was als een trilogie maar intussen is uitgebreid met een vierde boek. Het eerste boek is getiteld Het leren voorbij. Het tweede Goed onderwijs en de cultuur van het meten en het derde Het prachtige risico van onderwijs.
In de Inleiding schrijft Biesta dat hij zijn boek niet alleen vanwege intellectuele en onderwijspedagogische redenen heeft geschreven maar ook vanwege politieke redenen.

In beleidsdocumenten wordt de leraar steeds de belangrijkste factor in het onderwijsproces genoemd. Biesta maakt bezwaar tegen de leraar reduceren tot een factor. We zijn dat zo gaan noemen omdat we in een tijd leven waarin het belang van leraren en lesgeven niet langer lijkt te worden gezien.
Het punt dat Biesta in zijn boek probeert te maken is dat lesgeven ertoe doet en dat de leraar weer een plaats krijgt en opnieuw in beeld is.
Dat blijkt nog niet zo’n eenvoudige opgave. In conservatieve hoek wordt lesgeven als een proces van controle beschouwd waar de controle van het werk van de leraar zelf een belangrijke kwestie is geworden. Wat zijn de leeropbrengsten? Wat bedoelen we met een goede burger zijn of een flexibele leven-lang-lerende mens? Er is ook een wereldwijde meetindustrie die wil laten zien welke onderwijsssystemen leiden tot de beste resultaten.
Onderwijs als een proces van controle wordt vaak in een adem genoemd met het verlies aan gezag in de moderne samenleving en het idee dat onderwijs een sleutelrol zou moeten vervullen in herstel van gezag en het gezag van de leraar.

Het belangrijkste probleem met de idee van lesgeven als een proces van controle is dat de leerling dan slechts als object van de bedoelingen en handelingen van de leraar wordt beschouwd, maar nooit als eigenstandig subject.
Biesta probeert het belang van lesgeven voor ons bestaan als subject in beeld te brengen. Het ‘bestaan-in-dialoog’ met het andere en de ander waarbij ons subject-zijn niet van binnen naar buiten tot stand komt, d.w.z. als de utkomst van onze intenties en verlangens, maar onlosmakelijk verbonden is met de manier waarop we in verbinding komen met en reageren op het andere en de ander.
Lesgeven wordt verbonden met het creëren van existentiële mogelijkheden voor leerlingen waardoor zij de betekenis om als subject te bestaan in en met de wereld kunnen verkennen. Op die manier is lesgeven het tegenovergestelde van controle en pogingen leerlingen als een object te benaderen. Lesgeven neemt de vorm aan van het benaderen van de leerling als subject.

Als subject bestaan is een kwestie van ‘in dialoog’ zijn, aangesproken en onderwezen worden door het andere en de ander en daarbij de vraag stellen wat dat betekent voor ons eigen bestaan en onze verlangens. Het betekent dat we ons inlaten met de vraag of datgene dat we verlangen ‘verlangbaar’ is, of we het wel zouden moeten verlangen. En daarbij gaat het niet alleen om ons eigen leven, maar ook om het leven dat we met anderen proberen te leiden op een planeet die slechts in beperkte mate aan onze verlangens kan voldoen. Ons bestaan op deze manier begrijpen staat op gespannen voet met trends in de moderne samenleving, waarin ons bestaan als subject vooral wordt gepresenteerd in termen van de vrijheid om te kiezen, te doen wat we willen doen, te hebben wat we willen hebben en te kopen wat we willen kopen. We zouden zo’n samenleving een impulssamenleving kunnen noemen.

De onderwijspedagogische opdracht kan het beste opgevat worden als het mogelijk maken van het volwassen bestaan van een ander mens. Of als het wekken van het verlangen in een mens op een volwassen manier in de wereld te zijn. Biesta laat zien wat het betekent om onderwijs en opvoeding vanuit zo’n existentieel perspectief te benaderen. Lesgeven is geen kwestie van ruimten creëren waarin leerlingen vrij kunnen zijn, maar van existentiële mogelijkheden die leerlingen in staat stellen om hun vrijheid te ontmoeten, om daarmee zicht te krijgen op hun roeping om op een volwassen manier in de wereld te staan, d.w.z. als subject.
Volwassenheid is dus niet het resultaat van een ontwikkelingsproces of een bepaald stadium in de ontwikkeling, maar een bepaalde manier van in-de-wereld-zijn.

Lesgeven kent ook een vorm van dissensus. Dissensus hier in de betekenis van iets introduceren wat eigenlijk niet ‘past’ en wat tegen alle feiten ingaat. Bij het lesgeven als dissensus gaat het om een oriëntatie op een mogelijke toekomstige manier waarop de leerling kan bestaan, van een manier van bestaan die nog niet te voorzien is, door de leraar noch door de leerling.

Biesta voert de Franse filosoof Emmanuel Levinas en de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman op voor nadere uitleg van de betekenis van het subject-zijn, uniciteit en verantwoordelijkheid. Subject-zijn is individeel subject zijn in uniciteit: ik moet iets doen wat niemand anders namens mij of in mijn plaats kan doen. Niet uniciteit-als-verschil maar als ‘ertoe-doen dat ik ik ben’. Het gaat er niet om dat ik verschil van anderen door wat ik heb of bezit, het gaat om existentiële gebeurtenissen waarbij mijn uniciteit – dus ikzelf – op het spel staat. Als iemand een beroep op mij doet en op niemand anders dan komt verantwoordelijkheid op mijn pad en verantwoordelijkheid is de ‘essentiële, primaire en fundamentele structuur van subjectiviteit’.
Uniciteit is een kwestie van onvervangbaarheid, d.w.z. ‘doen wat niemand anders in mijn plaats kan doen’. Wanneer er een verantwoordelijkheid voor mij is, dan begint mijn uniciteit te tellen. Niemand kan mij dwingen verantwoordelijkheid te nemen, is ben niets verplicht, ik kan ervan weglopen. Hier komt op een merkwaardige manier onze vrijheid in het geding. Ieder moet voor zichzelf uitmaken de verantwoordelijkheid te nemen, of niet.

Volwassenheid is een existentiële kwaliteit. Wat gebeurt er nu als wij weerstand tegenkomen? Hoe gaan we om met zo’n ervaring? We kunnen geïrriteerd reageren omdat een door ons genomen initiatief wordt gedwarsboomd. We kunnen de schuld daarvoor leggen bij de weerstand en proberen ons initiatief door te drukken. We kunnen onze wil opleggen, maar als we daarin te ver gaan komen we bij een punt waar onze wilskracht zo sterk is dat het de integriteit van datgene dat weerstand biedt, aantast. We komen dan op het punt waarop we vernietigen wat ons weerstand bood.
Aan het uiteinde van het spectrum van de ontmoeting met weerstand is er het risico op wereldvernietiging. Aan het andere uiteinde van het spectrum ligt een tweede manier om te reageren op weerstand en dat is terugdeinzen voor de weerstand. We geven onze bedoelingen op en trekken ons terug. Het risico bestaat dat we ons dan helemaal terugtrekken uit ons-in-de-wereld-zijn. We vernietigen de mogelijkheden van in de wereld-zijn. We lopen dan het risico op zelfvernietiging.

Wereldvernietiging en zelfvernietiging zijn de extreme reacties op ontmoeting met weerstand. Ze plaatsen ons buiten de wereld, in een situatie van niet-bestaan. Daarmee markeren ze precies het middengebied waar bestaan mogelijk is. Dit middengebied kunnen we aanduiden als dialoog, als existentiële vorm of een manier van samenzijn waarin wordt geprobeerd recht te doen aan alle partijen.
Weerstand ervaren is in contact komen met de wereld. Wat heeft de wereld ons te zeggen? Wat probeert de wereld ons te onderwijzen?

In de omgang met weerstand ligt de kans volwassen te worden. Volwassenheid is geen kwestie van onderdrukken van verlangens maar een proces waarin verlangens aan een reality check worden onderworpen. Is wat we wensen wel wenselijk voor ons bestaan?
Het gaat om de uitdaging aan verlangens een wereldse vorm en kwaliteit te geven. Volwassenheid kan worden gerealiseerd in het middengebied. Daar ontmoet de leerling de wereld. De leraar moedigt de leerling aan het in het moeilijke middengebied uit te houden. Dat vraagt om ondersteuning. De leerling leert de aspecten van het bestaan in de wereld te verdragen.

Het onderwijspedagogische werk – didactiek en curriculum – behoort er daarom deels op gericht te zijn de leerling het belang van de ervaring van weerstand te laten zien en oog te hebben voor de subtiele verschijningsvormen. In de wereld zijn kan niet om de ontmoeting met weerstand heen. Het is een waarschuwing tegen pogingen weerstand uit het onderwijs te bannen en het onderwijs flexibel en gepersonaliseerd te maken, compleet aangepast aan de (vermeende) behoeften van de individuele leerling.
Bij pedagogische verantwoordelijkheid gaat het om het opwekken van het verlangen bij de leerling op volwassen wijze in de wereld te bestaan.

De Franse anthropoloog Claude Lévi-Strauss waarschuwde in de jaren zestig voor de infantilisering van de samenleving. De terugkeer van lesgeven van Biesta vormt een mooi tegenwicht tegen die dreiging.

Professor Gert Biesta is onder meer werkzaam in het Department of Education van Brunel-universiteit in Londen en bijzonder hoogleraar voor de Pedagogische dimensies van onderwijs, opleiding en vorming op de NIVOZ-leerstoel aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Sinds 2015 is hij geassocieerd lid van de Onderwijsraad.

De terugkeer van het lesgeven, door Gert Biesta, uitgeverij Phronese, 183 p., 2018, € 24,99

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren – Het geheime handboek

omslag politieke sensitiviteit het geheime handboekWethouder: “Ik vind het prettig als ambtenaren advocaat van de duivel durven spelen. Daardoor ben ik later beter voorbereid op alles wat in de politieke arena kan gebeuren”. Dit is uiteraard de ideale houding in de politiek. Kritiek kunnen verdragen, tegenspraak dulden en samenwerken, elk vanuit de eigen rol, aan deugdelijke besluitvorming.

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren heeft tot doel ambtenaren effectiever te laten handelen in het decentrale openbaar bestuur – gemeenten, waterschappen, provincies. Uit ervaring weten de drie auteurs van het boek dat de ambtenaar daardoor meer plezier in het werk krijgt en dat de bestuurder kan bouwen op adviseurs. De auteurs zijn arbeid- en organisatiepsycholoog Marike Simons, bestuurskundige Maud van de Wiel en politicoloog Harmen Binnema.
Het boek is expliciet geschreven voor ambtenaren die werkzaam zijn op decentraal niveau. Allereerst omdat er over politieke sensitiviteit in het lokaal bestuur nog nauwelijks geschreven is. Maar ook omdat het decentraal bestuur wat de auteurs betreft veruit het interessantste is. Helemaal sinds er in 2015 allerlei cruciale taken van de Rijksoverheid aan gemeenten zijn overgedragen en vanwege alle nieuwe zaken die nog op stapel staan om overgeheveld te worden. Die uitbreiding van taken maakt politieke sensitiviteit meer dan ooit belangrijk voor ambtenaren die werken voor het decentraal bestuur. Het vraagt nogal wat van ambtenaren om te kunnen omgaan met dit nieuwe krachtenveld. Burgers hebben hoge verwachtingen van hun meest nabije overheid, de rijksoverheid kijkt kritisch over de schouder mee en vaak ook zijn een college en raad op zoek naar hun rol in de nieuwe opgaven.

Politieke sensitiviteit is een houding die van de beoefenaar voortdurende interesse vraagt voor de eigen rol ten opzichte van de politiek. Iedereen kan het leren. Het is geen ‘gave’ die je hebt of niet hebt. Het is een combinatie van kennis, houding en gedrag. Het is het besef dat je werkt in een politieke context. Het is kunnen aanvoelen wanneer onderwerpen politiek worden. Het is een open en geïnteresseerde houding jegens politiek en politici. Het is snappen dat je met de politiek bestuurders een gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt voor goede besluitvorming, van begin tot eind en ongeacht de uitkomst. Het is de wetenschap dat je naast inhoudelijke deskundigheid ook iets anders in moet zetten, namelijk de vaardigheid om de verschillende partijen in het krachtenveld rondom een politiek vraagstuk te managen.

Er zijn al veel boeken over politiek-ambtelijke verhoudingen gepubliceerd, maar dit boek is nieuw. Het is bovendien een geheim handboek met geheime kennis. Er is niet eerder een boek geschreven over het politiek sensitief functioneren van de ambtenaar in de Nederlandse decentrale context. Geen van de boeken combineert de wetenschap en de theorie over ‘de verhouding tussen ambtenarij en politiek’ met ‘poten-in-de-modder-kennis’ die heel praktisch laat zien hoe men het doet. Het boek maakt inzichtelijk dat het in het belang van de ambtenaar is om naar de politieke wereld toe te bewegen in plaats van zich ervan af te keren.

Er zijn ambtenaren die graag een boek over ambtelijke sensitiviteit voor politici geschreven zien worden. Politici hebben nog wel eens de neiging het werk van ambtenaren te onderschatten of negatief over ambtenaren te praten. Als er bezuinigd moet worden, is reductie van het aantal ambtenaren een voorstel dat snel op tafel ligt. Iets meer begrip van politici voor dle ambtelijke wereld zou dus zeker geen kwaad kunnen. Maar één ding moeten we niet uit het oog verliezen: binnen ons democratische systeem vervullen politici en ambtenaren nu eenmaal verschillende functies. Politici worden gekozen, ambtenaren worden aangesteld. De politicus wordt geacht te redeneren vanuit belangen, zoals die van zijn achterban, zijn kiezers en zijn partij. Ambtenaren worden verondersteld de politici te ondersteunen. Politici doen iets anders dan de ambtenaar. Bovendien zijn zij leken. Zo is ons democratisch stelsel ingericht.
Uw buurman of tante kan wethouder worden, en zo is het ook bedoeld. Dat betekent wel dat politici afhankelijk zijn van het voorbereidend werk van de ambtenaren. Ze bouwen niet alleen op de kennis van ambtenaren bij het oplossen van problemen, maar zijn ook van ambtenaren afhankelijk om de juiste rol van bestuurder of volksvertegenwoordiger te kunnen spelen en op de juiste manier het besluitvormingsproces te kunnen doorlopen.

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden modellen en theorieën over de decentrale overheid behandeld, als steun bij het nadenken over de rol van ambtenaar en de politieke context waarbinnen de ambtenaar opereert. Het tweede deel biedt praktische handvatten en tips voor de dagelijkse praktijk van de politiek sensitieve ambtenaar en voor onderhoud van de sensitiviteit.
Verspreid door het boek zijn casussen, kwesties en cartoons opgenomen. De casussen beschrijven gebeurtenissen uit de dagelijkse praktijk van de omgang tussen politici en ambtenaren waarbij een alternatief gezichtspunt wordt geschetst. De anekdotische kwesties staan omkaderd en lichten de onderwerpen van het betreffende hoofdstuk toe. De cartoons van Dirk van de Wiel, zelf ambtenaar, geven een mooi inzicht in het dagelijks functioneren van de ambtenaar.

cartoon dirk van de wiel politieke sensitiviteit

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren – Het geheime handboek, door Marike Simons, Maud van de Wiel en Harmen Binnema, Amsterdam University Press, 160 p., geïll., 2018, € 24,95

 

Kurt Baschwitz – Peetvader van journalistiek en communicatie

omslag kurt baschwitz peetvader journalistiek van ginnekenHet belangrijkste doel van een boek over Kurt Baschwitz is meer belangstelling wekken bij nieuwe generaties, ook in het buitenland. Auteur Jaap van Ginneken schrijft dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden Kurt Baschwitz weinig bekend is geworden in de internationale wereld. Een oorzaak is dat Baschwitz’ boeken nooit in het Engels zijn vertaald; zijn unieke bijdrage was internationaal niet bekend.
Om die reden begon Van Ginneken aan een Engelstalige wetenschappelijke studie, met vertaalde uittreksels uit zijn werk en een uitgebreid noten- en bronnenapparaat, in december 2017 gepubliceerd onder de titel A pioneer of communication studies and social psychology (360 p.).
Deze studie vormt de basis van de verkorte en bewerkte Nederlandstalige versie Kurt Baschwitz – Peetvader van journalistiek en communicatie die de nadruk legt op leven en kern van Baschwitz’ werk. Het resultaat is een boeiend verhaal over maatschappelijke verschijnselen en processen zoals bijvoorbeeld de mysterieuze omslag van opinies door stemmingmakerij en opstootjes en de vorming van vijandbeelden en heksenjachten.

Baschwitz is één van de pioniers van de psychosociale wetenschap: in Nederland, in Europa en in zekere zin van de wereld. Hij was bijvoorbeeld de stichter van de eerste naoorlogse journalistenopleiding, van instellingen van perswetenschap, en medeoprichter van de roemruchte nieuwe ‘zevende’ faculteit voor Politieke en Sociale Wetenschappen & Mediastudes aan de Universiteit van Amsterdam, tegenwoordig Communicatiewetenschap & Mediastudies geheten, mondiaal nummer 2 in de QS World University Rankings by subject.
Niet alleen de ‘aartsvader’ dreigt te worden vergeten, ook zijn boeken over enkele van de fascinerendste onderwerpen die er zijn – en momenteel weer zeer actueel – zoals over ‘de massa’ en de 4 P’s: Pers, Propaganda, Politiek en Persecuties (of vervolgingen).

Jaap van Ginneken in het Voorwoord: “Nu, aan het eind van mijn eigen loopbaan, brengt deze historische studie mij terug naar mijn eigen begin, een halve eeuw geleden. Als student en later assistent aan wat al snel ‘Het Baschwitz Instituut’ ging heten. Ik wou overigens nu achteraf dat ik zijn interessantste werk over radicale politieke bewegingen destijds beter had gelezen en begrepen want ik dwaalde daar na gedurende de jaren zeventig als journalist en fellow-traveler met bevrijdingsbewegingen en revoluties in de derde wereld tien jaar af van de rechte weg. Op aandrang van Baschwitz’ opvolger voltooide ik daarna uiteindelijk alsnog mijn proefschrift over de sociale en intellectuele achtergronden van de ‘klassieke massapsychologie’ waar Baschwitz zich tegen had gekeerd”.
De massa was voor Baschwitz geen ontmenselijkte horde, maar een uit individuen opgebouwde groep. Hij ging daarmee in tegen de elites van zijn tijd die voor alles wat er in de maatschappij mis ging simpelweg de schuld gaven aan ontsporingen van ‘de domme massa’, de ongeletterden, de gewone mensen.

Kurt Baschwitz (1886-1968) was zijn leven lang gefascineerd door ‘Het raadsel van de massa’. Zowel in de ‘zichtbare’ vorm van menigten, als in de ‘onzichtbare’ vorm van media-publieken. Die hebben met elkaar gemeen dat ze supersnel van oriëntatie kunnen veranderen: iets waarmee de gangbare benadering van de moderne wetenschap (van ‘meten is weten is voorspellen is beheersen’) zich vaak niet goed raad weet.
Baschwitz bijdragen daarover vormen een samenhangend geheel, maar inmiddels zijn ze verspreid geraakt over steeds verdergaande specialisaties en van elkaar losgekoppeld. Baschwitz was een onderzoeker op het gebied van communicatie- en mediastudie, maar hij was ook bezig met de sociale, politieke en massapsychologie daaromheen: van beweeglijke publieksgroepen tot opiniestromingen.
Zijn benadering was er nog vaak een van een ‘ouderwetse’ erudiet. Hij was een belezen sociaal-historicus die altijd wilde weten op wat voor manier een verschijnsel zich in een bredere context ontwikkelde.

Baschwitz’ sympathie lag bij seculiere partijen die de morele verantwoordelijkheid bij het individu legden en die sociale hervormingen nastreefden, maar zonder vrije markten al te zeer aan te tasten. Hij was zijn hele leven ook een standvastige verdediger van de grondwet, van het handhaven van recht en gezag, tégen iedere vorm van intimidatie, geweld en autoritarisme. Deze waarden werden aangevochten rond beide wereldoorlogen door links-radicalen en communisten, door rechts-radicalen en fascisten.
Dit wordt geïllustreerd door drie van Baschwitz’ kernstandpunten.
Ten eerste: Massawanen kunnen het best worden voorkomen en bestreden door in alle tijden de vrijheid van meningsuiting en de pers (dus van tegenspraak) te handhaven.
Ten tweede: Het belangrijkste deel van een krant is onzichtbaar, niet zichtbaar. Het wordt gevormd door de lezers ervan, niet door het gebouw of de papieren exemplaren. Daarin liggen ook de wortels van het pluralisme.
Ten derde: De praktische politiek moet de grote massa van fatsoenlijke burgers herontdekken en een beroep op hen doen bij het tegenhouden van de barbarij. Hij schreef dit in de jaren twintig en dertig, toen Europa en de wereld op een nieuwe oorlog afstevenden.

Kurt Baschwitz, peetvader van journalistiek en communicatie is ingedeeld in vier boeken:
Eerste boek: Over massapropaganda en vijandbeelden.
Tweede boek: Over de massapers en het publiek.
Derde boek: Over massapolitiek en de rechtsstaat.
Vierde boek en verder: Over massavervolging en uitroeiing.

Wie wil begrijpen in wat voor tijd we momenteel leven, kan het best zijn licht opsteken bij Baschwitz. Honderd jaar geleden nam deze kleine, in Duitsland geboren joodse man inderhaast de trein om hals-over-kop correspondent in het neutrale Nederland te worden en die na terugkeer in Duitsland uiteindelijk een vooraanstaande journalistieke positie kreeg. Maar in 1933 vertrok hij voor de tweede keer inderhaast naar Nederland. Hij vluchtte, als jood en als tegenstander van Hitler en de nazi’s. Tijdens de bezetting wist hij op het nippertje aan deportatie te ontkomen en dook hij onder. Pas na de Bevrijding wist hij zijn oude droom te verwezenlijken, als medeoprichter van de nieuwe politieke en sociale faculteit in Amsterdam.

Kurt Baschwitz – Peetvader van journalistiek en communicatie, door Jaap van Ginneken, AMB Uitgeverij, 274 p., 2018, € 24,75

 

Schaamrood

omslag schaamroodSchaamrood is een noodzakelijke en welkome aanvulling op de boeken Dwarsliggers (2013) en De terreur van schaamte (2007). In dit derde boek, voluit Schaamrood – Aantekeningen over angst, agressie en ambitie geheten, doorzoekt Aart. G. Broek opnieuw de reikwijdte van schaamte: het pijnlijke gevoel dat we krijgen wanneer we worden vernederd en dreigen opnieuw te worden vernederd. Dat kweekt angst en agressie én soms juist ambities.

We realiseren het ons zelden, maar in het Bijbelse verhaal over Adam en Eva in de Hof van Eden, is het God die als eerste wordt vernederd. Adam en Eva houden zich niet aan de afspraken die zij met God hebben gemaakt. Zij tonen zich onbetrouwbaar. Zij beschamen Gods vertrouwen. Hij wordt opzij geschoven en daardoor vernederd. De uitwerking die deze beschaming op God heeft, is een ongeëvenaarde uitbarsting van woede en geweld: de mens verliest voorgoed het paradijs. Hiermee worden de rollen omgedraaid. De machteloze mensen worden afgewezen door de almachtige God en zij schamen zich. Het schaamtegedrag van de eerste mensen vertoont vertrouwde mechanismen van neutralisering: het afwentelen van de afwijzing op een ander, zichzelf bestempelen als hulpeloos slachtoffer en zich een uitgesproken onderdanige houding aanmeten.
De man legt de verantwoordelijkheid bij de vrouw en zij daarop bij een slang. Die zou haar hebben verleid om zich niet aan de afspraak met God te houden. In tegenstelling tot de beschaamde God volgt bij de beschaamde mens geen uitbarsing van woede. Integendeel, de mensen gedragen zich uitgesproken onderdanig. De mens lijkt buiten het paradijs toch nog iets aan bescherming van God te mogen verwachten.

Niet alleen voor Adam en Eva, voor ieder van ons geldt een klemmende behoefte aan geborgenheid en een duurzame invulling daarvan. Het betreft een essentiële behoefte die praktisch nauwelijks onderdoet voor de behoefte aan voedsel en bescherming tegen hitte en koude. De vrees voor – zelfs maar de geringste vorm van uitsluiting is een oerangst. Buiten de groep wacht de dood: de verzengende hitte van de savanne, de wurgende omstrengeling van de jungle of de snerpende kou van de ijsvlakte. We willen bij de groep horen. We willen acceptatie, waardering en het liefst bewondering door de groepsleden.

Schaamte is een substantieel andere emotionele ervaring dan schuldgevoel. Bij schaamte gaat het om de feitelijke of ervaren afwijzing van het persoonlijke ik. Schuld is het gevoel waarbij je je afvraagt wat jouw handelen een ander voor nadeel berokkent. Met schaamte denken we onze eigen kant op: wat doet de ander ons aan of dreigt de ander ons aan te doen voor ernstige pijn door vernedering en uitsluiting?
Schaamtevolle ervaringen en vernedering blijken bijvoorbeeld uitzonderlijk krachtige brandstof te zijn voor geweld(suitbarsingen). Geweld wil schaamte lozen. Schaamte is een sociaal-emotioneel fenomeen en schaamte-ervaringen staan in onze ziel gegrift als letters in marmer, voor de rest van ons leven. Ze zijn onuitwisbaar, uiterst pijnlijk en vormen de ader van een vrijwel onverzadigbaar verlangen naar het zo dikwijls gehoorde ‘respect’ d.w.z. geborgenheid, waardering en bewondering.

Broek behandelt onder meer het probleem van de naar Europa terugkerende jihadstrijders uit Islamitische Staat (IS) en de schaamte binnen de eigen groep; de moslimgemeenschap in Europese landen die de hand in eigen boezem moeten steken om radicalisering te voorkomen. Een op rellen uitgelopen protestmars op Curaçao in mei 1969 en de strategische reactie op een dreigende publieke beschaming van de Nederlandse en Antilliaanse overheid laat zien dat schaamte een giftige voedingsbodem voor misleiding kan zijn.

Broek heeft het ook over de rol van Zwarte Piet en Sinterklaas, niet alleen in Nederland maar ook op Curaçao. Na een korte periode van protest tegen onderdrukking en racisme in de jaren zestig, wordt op Curaçao niet meer gedacht aan afschaffen van het Sinterklaasfeest. Men wilde aanvankelijk het feest voorgoed van het eiland verbannen maar dat is niet gebeurd. De Sint blijft op het eiland komen, met Zwarte Piet: “De weersvoorspellingen in het moederland mogen slecht zijn, op het eiland schijnt de zon”, aldus Broek. Op het eiland is al lang en breed bekend dat je Sinterklaas zwart kunt maken en Nederlandse stagiaires voor Zwarte Piet – blank met roetstrepen – kunt laten spelen zoveel je wilt.
Hoofdstuk 9 – Hoe dichter bij Rome – gaat over de miljarden verslindende missers in Nederland. De kreupele interventies van De Nederlandsche Bank bij ABN Amro, ING en SNS Reaal, de improductieve arbeidsintegratiebureaus, treintrajecten als de Betuwelijn en de Hoge Snelheidslijn, de beschermde privatisering van woningcorporaties, van zorg- en onderwijsinstellingen (het Leidse ROC-debacle) en van de organisaties voor de sociale werkvoorziening, om nog maar te zwijgen van gerechtelijke dwalingen, medische missers en wetenschappelijke fraude. Voor het ontstaan van deze – dikwijls uiterst dramatische – fiasco’s werd tijdig gewaarschuwd door enkelingen.Er was wel degelijk tegenspraak, afkomstig van moedige dwarsliggers.

De Amerikaanse psychotherapeute Harriet Lerner heeft eens gezegd: “Niets verwoest de eigenwaarde zozeer als schaamtegevoel”. Daarom is het zo moeilijk waarachtig spijt te betuigen. Gewoon zeggen ‘ik zat fout, ik heb me vergist, het spijt me’. Dat blijkt niet zo ‘gewoon’, maar uitgesproken onaangenaam. Een spijtbetuiging blijkt onverdraaglijk, want vernedering dreigt, al dan niet uitsluitend in de eigen beleving. Daar hebben we een woord voor: schaamte.

Auteur Aart G. Broek specialiseerde zich in communicatiewetenschap, (historische) sociologie en criminologie. Hij promoveerde op een onderzoek naar de propagandapraktijk van de Rooms-katholieke missie op de Benedenwindse Antillen. Hij woonde twintig jaar op Curaçao, werkte er als docent, projectuitvoerder en interim-manager. Sinds zijn terugkomst in Nederland ontwikkelde hij zich tot organisatie- en beleidsadviseur inzake conflict-, agressie- en veiligheidsvraagstukken.

Schaamrood – Aantekeningen over angst, agressie en ambitie, door Aart G. Broek, Uitgeverij In de Knipscheer, 164 p., 2017, € 16,50

‘Werken aan trage vragen’. De woorden van Harry Kunneman

omslag harry kunneman werken aan trage vragenHarry Kunneman, emeritus hoogleraar sociale en politieke theorie aan de Universiteit voor Humanistiek, vertelde in 1999 in zijn Socrates-lezing Levenskunst en burgerschap in een technopolis dat zingeving niet in de kerk en in levensbeschouwelijke organisaties moest gebeuren, maar op de werkvloer. Zingevingsvragen als hoe ga je om met ziekte, verlies, lijden en dood? Met relaties, verlangens, ontrouw en geweld? zijn ‘trage vragen’ waarop geen snelle antwoorden zijn te geven.
De trage vragen vormen in meerdere opzichten de tegenpool van de versnelling die de technopool kenmerkt. De eerste technopool is de Californische computervallei Silicon Valley waar het leven draait om hard werken, ondernemen, scherpe concurrentie, individueel succes, winnen, de beste zijn. Wie niet kan meekomen is een loser.
De trage vragen zijn onveranderlijk, ze worden nauwelijks aangetast door het snelle leven; ze vormen een onderstroom en passen niet in een techno-ideologie. Ze worden het liefst weggedrukt naar de leefwereld, naar het gebied van religie en levensbeschouwing en sociale en politieke bewegingen.
De trage vragen zijn, anders gezegd, vaak ook ondoorzichtige vragen. Waar het wiskundige algoritme, de razendsnelle digitale verwerking van informatie en de steeds verdergaande beheersing van krachten en processen op macro- en micro-niveau model staan voor de leerprocessen van de technopool, daar staan de droom en de fantasie, het spel en de humor en natuurlijk het verhaal en de symboliek model voor de omgang met de trage en ondoorzichtige vragen.

Volgens Kunneman ligt hier het probleem. Hoe maken we een verbinding tussen de trage vragen en de versnelling in de techo-maatschappij? Hij stelt voor dat die vragen niet meer gesteld worden in een afgescheiden sacrale wereld van kerken of in sociale bewegingen, maar dat ze binnen die snelle wereld zelf beantwoord worden. Niet door die snelle wereld normen op te leggen uit het humanisme, het christendom of de islam, maar door in te gaan op de concrete vragen die bestaan in bijvoorbeeld een ziekenhuis en het onderwijs, of bij de politie, de rechterlijke macht en het bedrijfsleven.

In zijn colleges legde Kunneman uit hoe mensen in de praktijk met de trage vragen kunnen omgaan. Het gaat dan om leerprocessen die te maken hebben met professionals, maar ook met de organisatie waar de professional werkt en met de maatschappij. Reflecteren over de trage vragen in de praktijk is een leerzame manier om met morele vragen om te gaan. Dit proces noemt Kunneman normatieve professionalisering. Normatieve professionaliteit is de manier waarop iemands werk bijdraagt aan een menswaardige en rechtvaardige samenleving.

Kunneman is in 2017 met emeritaat gegaan. In Werken aan trage vragen. De woorden van Harry Kunneman blikt Kunneman terug en vertelt hij in een reeks openhartige gesprekken aan Denise Robbesom over zijn leven en werk, over onderwerpen als vriendschap en familie, humanisme, kritische maatschappijtheorie en humanistisch raadswerk. Kunneman introduceerde termen als het dikke-ik, theemutscultuur, walkman-ego, trage vragen en normatieve professionaliteit. Theemutscultuur verwijst naar de oude tijd waarin het individu nauwelijks bestond maar deel uitmaakte van een gemeenschap waaraan hij zijn zin en betekenis ontleende. Het walkman-ego is de moderne mens, op consumptie gericht en niet op gemeenschap en samenhang. De afbraak van de theemutscultuur is gepaard gegaan met commercialisering, technologische vooruitgang en controle-denken maar biedt ook de mogelijkheid tot het vinden van een eigen verhouding tot morele vragen.
Het dikke-ik verwijst naar lomp gedrag, de ander opzij duwen. Het is een verontrustende uitvergroting van het ideaal van vrijheid en autonomie. Het begrip drong door tot in de nationale politiek. Minister-president Mark Rutte hekelde in 2015 op het voorjaarscongres van de VVD in Arnhem de ‘grote dikke-ik-mentaliteit’ in Nederland.

Aan het slot van het boek geeft Kunneman treffend commentaar op de ontwikkelingen van de laatste jaren aan de Universiteit voor Humanistiek. Hij vindt dat de wetenschappelijkheid steeds meer op de voorgrond is komen te staan, mede onder externe druk: “De ruimte en de aandacht voor het humanisme is daardoor meer naar de achtergrond gegaan. De hele geesteswetenschappelijke kant en de beroepspraktijk komen op onderzoeksniveau tekort, omdat we ervoor gekozen hebben om onze wetenschappelijke productie vooral te richten op internationale tijdschriften. Daarmee is de verwevenheid van de humanistiek met de Nederlandse samenleving, met de humanistische beweging, met de humanistische organisaties en met de beroepspraktijken meer op de achtergrod komen te staan. De Universiteit voor Humanistiek heeft jarenlang een eigen tijdschrift gehad. Dat heette het Tijdschrift voor Humanistiek. In dat tijdschrift stond de verbinding tussen wetenschap, humanisme en de praktijk centraal. Vijf jaar geleden is besloten het tijdschrift op te heffen. De universiteit vond het niet meer interessant en heeft toen de financiering stopgezet. Ik heb dat toen samen met anderen overgenomen en omgedoopt in tijdschrift Waardenwerk en sindsdien financieren we dat zelf. De universiteit vindt dat tijdschrift niet meer relevant, want Nederlandstalige publicaties tellen niet mee in de wetenschap. Maar ik denk dat wij er niet alleen voor de wetenschap zijn. Ik denk dat wij een wetenschappelijke beroepsopleiding zijn en een humanistische universiteit. Dat betekent dat je ook de reflectie vanuit de praktijken moet voeden en de verbinding met die praktijken tot stand moet brengen. Dat is een deel van je universitaire missie”.

Werken aan trage vragen. De woorden van Harry Kunneman, door Denise Robbesom, ISVW Uitgevers, 155 p., 2017, € 14,95

 

Filosofie van de jamsessie

omslag filosofie van de jamsessieFilosofie van de jamsessie van Jurriën Rood is geen muziekboek. Het is, aldus de schrijver in zijn introductie, geschreven zonder veel kennis van dominant none akkoorden of van verminderde vijfden. Hier gaat het niet zozeer om de muziek zelf, als wel om de techniek van spontane, onvoorbereide samenwerking. De jamsessie dient als voorbeeld en als metafoor voor andere maatschappelijke terreinen waar vormen van onvoorbereide samenwerking en tegenwerking zich voordoen, met name in de openbare ruimte en in het publieke leven.
Bij een jamsessie komt een groep jazz-, rock- of bluesmuzikanten bij elkaar om samen improviserend te musiceren. De term jam is ontstaan in de jaren twintig in de Verenigde Staten toen muzikanten na hun betaalde optredens bij elkaar kwamen en spontaan begonnen te spelen.

De jam kent intussen ook een maatstaf, namelijk dat de gemaakte muziek goed klinkt. Of in elk geval redelijk. Of fantastisch. Maar die kwaliteit wordt niet altijd afgemeten aan het bereikte technisch-muzikale peil: een complete solo vol fraaie triolen, dwarse ritmen en in contrapunt geplaatste commentaren op het onderliggende akkoord telt hier niet per se sterker dan een simpele solo met weinig noten, die de muziek verder helpt en die bij het stuk past. Niet de technische perfectie bepaalt het succes van een jam hoewel ze er zeer aan kan bijdragen. De mate van samenwerking, de spontaniteit, vrijheid plus een zekere gezamenlijke opwinding zijn daarvoor eigenlijk belangrijker. In elk geval in dit boek waarin de jamsessie de basis vormt voor een filosofie die niet is gericht op akkoordenschema´s en tempi, maar op universele thema´s van vrijheid, regels en samenwerking.

Rood is filosoof, filmer en amateursaxofonist. Voor zijn boek voerde hij gesprekken met vijf professionele, zeer ervaren jazz- en jammuzikanten met de bedoeling hun ervaringen aan de zijne toe te voegen en zo de empirische kant van het boek te verbreden. De filosofie komt na de muziek. Nuttige vragen die oprijzen zijn: Kent een losse, onvoorbereide samenwerking ook regels? Welke dan en hoeveel zijn het er? Kan vrijheid soms niet zonder regels? Vrijheid is toch… vrijheid? Wat de jamsessie, filosofisch bekeken, ons vooral leert is dat ‘vrijheid’ niet helemaal is wat het lijkt en dat de gebruikelijke tegenstelling tussen vrijheid en regels eigenlijk onhoudbaar is. Een bepaalde opvatting van vrijheid houdt ons gevangen en dit boek onderzoekt wat we winnen door ons daaruit te bevrijden. Pas als we ruimte maken voor het idee van vrijwilligheid, wordt vrije samenwerking en gezamenlijkheid mogelijk.

Naar aanleiding van de jam-ervaring wordt een nieuwe opvatting van vrijheid ontwikkeld, die zowel collectief als individueel is en die zich baseert op regels die juist, hoe paradoxaal dat ook klinkt, vrijheid kunnen scheppen. De ervaring dient als basis voor het jam-model van samenwerking-in-vrijheid. Met dit model gaan we op zoek naar de manier die ons kan helpen om het soms zo moeizame publieke samenleven te verbeteren. Wat bij de jam (soms) lukt zou ook op andere gebieden moeten kunnen lukken – maar hoe precies? Het jam-model maakt ons niet per se tot betere muzikanten, maar kan ons wel helpen om beter samen te werken.

Het jam-model laat ook goed zien waar de zwakke plekken zitten. Drie grote obstakels dringen zich naar voren waaronder de promotie van eigenbelang (het tegenovergestelde doel), ontkenning van het doel en de selectie van deelnemers.
Waar vrijwilligheid bestaat, kan ook onwil bestaan. Alleen in een dictatuur bestaat een totale ‘consensus’. Als de maatschappij iets van de jam kan leren, dan is het vooral dat degenen die mee willen doen, binnen de spelregels, ook werkelijk een kans moeten krijgen. Aan de maatschappelijke open jam behoren alle competente burgers mee te kunnen doen. Dat betekent dat men er als deelnemer gelijk is. En daaraan ontbreekt het nu vaak in onze moderne versie van de klassenmaatschappij. Niet iedereen krijgt een gelijke kans.
Het realiseren van gelijkwaardigheid is op zichzelf al essentieel voor een geslaagde maatschappelijke jamsessie. Elkaar iets gunnen en de ander erkennen als deelnemer is van levensbelang in een samenleving.

De jamsessie is een voortreffelijk model voor een betekenisvolle samenkomst van individuen met een gemeenschappelijk doel dat al dan niet bereikt wordt. Wantrouwen, angst en weerzin kunnen tijdens het bezig zijn en het op elkaar afstemmen langzaamaan omgezet worden in een positievere houding. Het is de tegenpool van het louter bespreken van problemen waarbij tegenstellingen en opvattingen de boventoon voeren en maar al te vaak leiden tot het dieper worden van de loopgraven.

Filosofie van de jamsessie, of Hoe kunnen we samenwerken in vrijheid door Jurriën Rood is een fraai vormgegeven boek. De verwijzingen erin naar video en audiofragmenten zijn terug te vinden op de site van het boek: www.filosofievandejamsessie.nl, uitgeverij Lemniscaat, 244 p., 2017, € 19,95

 

Binding genoeg

omslag binding genoegWetenschappers, intellectuelen, politici van uiteenlopende partijen en vertegenwoordigers van diverse maatschappelijke organisaties verkondigen de laatste jaren steeds indringender dat het in Nederland ontbreekt aan saamhorigheid, nabijheid, eenheid. De samenleving zou gebukt gaat onder te veel ‘ik’ en te weinig ‘wij’; we zouden nog slechts naast elkaar leven in plaats van werkelijk samen. In het essay Binding genoeg bestrijdt Annemarie Kok dit hardnekkige idee. Ze levert kritiek op de oplossingen waarmee pleitbezorgers van ‘meer wij’ komen aanzetten, zoals buurtprojecten, de regionale mienskip (Friesland), neo­nationalisme, ‘een bindend verhaal rond moraal en identiteit’ en credo’s als ‘samen maken we stad’.

Kok in het Voorwoord: “Wat ik zelf ervaar, is dat de meeste mensen juist allerlei maatschappelijk betekenisvolle banden hebben. En dat gevoelens van verbondenheid en herkenning niet noodzakelijk berusten op een letterlijk ‘samen’, noch op het delen van dezelfde leefstijl, woonplaats, woonwijk, taal, belangen of overtuigingen. Niet ondanks maar juist mede dankzij individualisering hebben wij tal van subtiele en expliciete, concrete en abstracte, kortstondige en langdurige relaties die onze samenleving hecht maken: relaties met andere individuen, maar ook met ideeën, dingen, plekken.

Behalve aan onterechte weerzin tegen individualisme stoor ik me aan weerzin tegen politiek. […] Natuurlijk, in een democratie is kritiek mogelijk en nodig. Maar waarom ontbreken zo vaak een reële kijk op het politieke werk en waardering voor degenen die de publieke zaak dienen? Waarom uitgerekend afgeven op de instantie die – aangezien ‘de burger’ niet bestaat – in het leven is geroepen om zaken algemeen verbindend te regelen? Als er íets is dat het vreedzaam samenleven momenteel bedreigt, is het juist de antipolitieke wind die sinds begin deze eeuw steeds harder en uit verschillende hoeken is gaan waaien. Daarbij denk ik niet alleen aan de horden (online) strijders tegen alles wat te maken heeft met ‘Den Haag’, ‘Brussel’, ‘de elite’ of ‘het establishment’ maar ook aan journalisten en commentatoren die politici graag afschilderen als types die voornamelijk gericht zijn op hun eigenbelang, de hele tijd ruzie met elkaar maken en niet weten wat luisteren is. Ik doel ook op burgers, denkers, bestuurders en beleidsmakers die menen dat het de hoogste tijd is om zogenoemd ‘top­down’ beleid als het even kan te vervangen door ‘eigen initiatief’ van burgers en die de democratie ‘directer’ willen maken. En dan zijn er bevreemdend genoeg ook nog politici zelf die zich van representatieve politiek distantiëren.
Hoe kan het toch dat zelden het ómgekeerde wordt beweerd: dat samenleven doorgaans wonderwel slaagt en dat dit te danken is aan onze rechtsstaat, aan de inspanningen van politici en aan de inzet van vele anderen, onder wie, mag ik hopen, wijzelf?

Bijna elke dag wandel ik in het Groningse Noorderplantsoen, tussen altijd weer nieuwe vreemden. Vrijwel dagelijks kijk ik veel mensen even aan in het voorbijgaan – waar dan ook. Of ik groet een (on)bekende. Soms vind ik de avondspits in mijn stad zo zinderend: iedereen die zijn weg gaat; altijd anderen op je weg vinden. Op zaterdagochtend fiets ik van Groningen naar Haren – om te zingen. Dan kijk ik naar de huizen (‘versteende moederdieren’) en naar de lucht, denk aan iemand en zwaai naar een automobilist met wie ik zing. Zoals bijna honderd anderen ook op weg zijn naar Haren om muziek te maken – vierstemmig, symfonisch. De meeste koor­ en orkestleden komen en gaan alleen; voor en na de repetities doen ze andere dingen. Met of zonder andere anderen.

Het afgelopen jaar begon me te dagen dat deze alledaagse ‘belevenissen’ en gedragingen uit mijn eigen leven iets zeggen. Maar wat? Daar kom ik achter in een fictieve brief aan de Amerikaans/­Canadese publiciste Jane Jacobs (1916­-2006). In een even fijnzinnige als rebelse stijl heeft zij onder meer geschreven over ‘de beschavende en aangename werking die een goed functionerend stedelijk straatleven op terloopse wijze op een stad heeft’. Jacobs hechtte veel belang aan sociaal verkeer in steden/stadsbuurten. Tegelijk was ze wars van noties als ‘saamhorigheid’. In haar voetspoor speurde ik op mijn manier – en in een andere tijd/een andere stad – naar het geheim van ongedwongen samenleven”.

Kortom, Annemarie Kok stelt vast dat moderne mensen juist doordat zij ‘individu’ zijn allerlei relaties met elkaar hebben. Ze ziet niets in de politiek van ‘samenredzaamheid’ en ‘terug naar de buurt’. Het is een politiek die politici buitenspel zet en burgers tegen hun zin verbindt. Dat versterkt de samenleving niet, dat tast haar aan.

Annemarie Kok studeerde filosofie en journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna was ze onder meer zes jaar verslaggever van dagblad Trouw en negen jaar hoofdredacteur van tijdschrift Noorderbreedte. In 2001 verscheen bij Uitgeverij Contact haar boek Randland. Portret van de Friese en Groningse kuststrook. Tegenwoordig publiceert ze over sociale en ruimtelijke onderwerpen.

Binding genoeg – De stad en het geheim van aangenaam samenleven, essay door Annemarie Kok, uitgever Trancity/Valiz, 42 p., 2017.
Klik hier voor downloaden van het essay.

 

Eend en Konijn laten zien wat zorg is

omslag eend en konijn 2Is het een eend of een konijn? Wat zie je het eerste als je naar de tekening kijkt? De optische konijn-eend verscheen voor het eerst in 1892 in het Duitse humoristische tijdschrift Fliegende Blätter. De tekening werd vervolgens door de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein opgenomen in zijn standaardwerk Filosofische Onderzoekingen (1953). Hij wilde ermee aantonen dat er twee wijzen van zien bestaan. Sindsdien wordt de afbeelding wel de ‘konijn-eend van Wittgenstein’ genoemd.

De vraag wat de figuur werkelijk is, een eend of een konijn, is niet van belang. Je kunt zowel een eend als een konijn zien, maar nooit tegelijkertijd. Waarneming is ook een mentale activiteit, aldus Wittgenstein. De wereld is zo veelzijdig dat er meerdere interpretaties mogelijk zijn.
Kortom, het ligt er maar aan hoe je naar de dingen kijkt.

In de trant van de Nijntje-boeken van Dick Bruna, hebben Luc Pluijmen en Carin Hoogstraten het boekje Eend en Konijn laten zien wat zorg is gemaakt. Luc Pluijmen is gezondheidswetenschapper en oprichter van De mens zien, voor advies en begeleiding in de zorg. Carin Hoogstraten is beleidsmedewerker bij de Nierpatiënten Vereniging Nederland.

Eend en Konijn voeren een dialoog over de zorg. De belangrijkste regel van de zorg is dat we altijd eerst naar de mens kijken en dan pas naar de regel. Dat is mooi gezegd. En duidelijk, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

eend en konijn belangrijkste regel 2

Aan het slot van het boek treffen we een lijst met geloftes aan voor het afleggen van een eed of een gelofte: “Ik zweer/beloof dat ik mijn vak zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten”. Het is een eed voor de zorgverlener, zoals artsen hun artseneed (van Hippocrates) hebben. De zorgvrager staat centraal. De belangen van de patiënt of de cliënt zijn in overeenstemming met de beroepsmoraal van zorgverleners.

Hoe kijken wij naar de gezondheidszorg? De gezondheidszorg wordt almaar complexer; bureaucratisering en economisering nemen toe. Het wezen van zorgverlening dreigt daardoor uit het zicht te raken. Vandaar de reactie: de roep om meer empathie en meer humaniteit. Een andere mentaliteit levert een andere uitkomst op. Eend en Konijn adviseert de zorg vanuit het perspectief van de mens te benaderen, altijd de mens te blijven zien, op de eerste plaats.

Eend en Konijn laten zien wat zorg is, door Luc Pluijmen en Carin Hoogstraten, www.demenszien.nu,
24 p., geïll., 2017, € 15,80 inclusief verzending en 6% BTW (bestellen bij info@demenszien.nu)

 

Vergeten samenhang

omslag vergeten samenhangVergeten samenhang. Over cultuur en opvoeding is een vertaling van de Duitse uitgave Vergessene Zusammenhänge. Über Kultur und Erziehung van Klaus Mollenhauer.
Mollenhauer (1928 – 1998) geldt als een van de belangrijkste Duitse pedagogen van de twintigste eeuw. Zijn in 1983 gepubliceerde Vergessene Zusammenhänge is een pedagogische klassieker en geldt als een van de beste Duitse bijdragen aan de twintigste eeuwse opvoedings- en vormingstheorie. Mollenhauer is een vertegenwoordiger van de zg. kritische pedagogiek, die zich onderscheidt van de geesteswetenschappelijke pedagogiek die tot in de jaren zestig niet alleen in West-Duitsland maar ook in Nederland dominant was, en de empirisch-analytische pedagogiek, die na de jaren zestig de boventoon voerde.

De geesteswetenschappelijke pedagogiek beschouwt opvoeding als een culturele activiteit, waarbij waarden in het spel zijn. Ze probeert die activiteit te begrijpen vanuit de intenties van degenen die bij de opvoeding betrokken zijn: de opvoeders, maar ook de kinderen en de jongeren. De empirisch-analytische pedagogiek ‘filtert’ dat alles weg: de waarden, de culturele context van de opvoeding en de intenties van de betrokkenen spelen voor haar geen rol meer. Voor haar is opvoeding een te onderzoeken en te verbeteren object. Daarvoor gaat ze op zoek naar de mechanismen die het opvoedingsproces kunnen verklaren, waarmee de pedagogiek in de mainstream van de (waardenvrije) wetenschappen terechtkomt.

De kritische pedagogiek houdt daar afstand van. Ze neemt het waardengeladen perspectief van de geesteswetenschappelijke pedagogiek over, maar politiseert het. Voor haar is de context van de opvoeding niet alleen cultureel, maar ook politiek-maatschappelijk. De pedagogiek dient daarom niet alleen onderzoek te doen naar de opvoeding op zich, maar ook naar de machtspolitieke context ervan. Ook dient ze daarover een standpunt in te nemen: een kritisch standpunt. Voor Mollenhauer is de rede (Vernünftigkeit) daarbij het criterium. De kern daarvan luidt: De rede (d.w.z. kritisch nadenken) van subjecten die onder de verantwoordelijkheid staan van opvoeders dient te worden gestimuleerd, niet (maatschappelijk) te worden tegengewerkt.

Mollenhauer constateert dat de vraag Waarom voeden we kinderen op? in de jaren tachtig nauwelijks nog werd gesteld. Het hoe is centraal komen te staan, niet het waarom van de opvoeding. Dat is in onze tijd niet anders. Mollenauer laat zien dat de vraag naar het hoe van opvoeding en onderwijs niet kan worden beantwoord zonder de vraag naar het waarom te stellen. Elke generatie, zo is zijn stelling, wil dat het goede in haar leven blijft voortbestaan. Daarom willen mensen kinderen en voeden zij hen op. Dat ‘goede’ is niet alleen een moreel, maar ook een historisch en cultureel gegeven. Om te weten waarom we kinderen opvoeden gaat Mollenhauer op zoek naar de cultuur-historische wortels van wat hij een hedendaagse ‘algemene pedagogiek’ noemt.

Het boek wordt ingeleid door Wouter Pols, naast C. Balhan vertaler van het boek. Pols is leraar in het speciaal onderwijs en opleider in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Het boek bevat vier hoofdstukken en een toevoeging aan het slot die gaat over het begrip identiteit. Mollenhauer: “Met identiteit moeten alleen die zaken worden aangeduid die te maken hebben met de verhouding tussen de mens die ‘ik’ zegt en datgene wat dit ik over zichzelf zegt; dit begrip moet dan alleen op deze verhouding slaan.

Titels van de hoofdstukken:
1. Presentatie, of iets over zichzelf en zijn levensvorm meedelen.
2. Representatie, of uitkiezen wat er moet worden overgedragen.
3. Vatbaar voor vorming, of erop vertrouwen dat kinderen willen leren
4. Zelfstandigheid, of zichzelf taken opleggen; problemen.

Vergeten samenhang bevat afbeeldingen van bijvoorbeeld schilderijen en houtsneden met een uitleg van Mollenhauer van de verschillende opvattingen over pedagogische onderwerpen doorheen de eeuwen.

Vergeten samenhang – Over cultuur en opvoeding, door Klaus Mollenhauer, vertaling van C. Balhan en W. Pols, uitgeverij Phronese, 190 p., geïll., 2017, € 24,99

 

Homo duplex

omslag homo duplex dorien pessersHomo duplex is de titel van het liber amicorum dat op 7 juli 2017 aan Dorien Pessers werd aangeboden ter gelegenheid van haar afscheid als hoogleraar ‘juridische en rechtstheoretische grondslagen van de persoonlijke levenssfeer’ van de faculteit Rechtsgeleerdheid van zowel de Universiteit van Amsterdam als de Vrije Universiteit.
Pessers heeft tijdens haar carrière regelmatig deelgenomen aan het publieke debat. Ze wist veel los te maken in de maatschappij en wist wetenschappelijke kennis vruchtbaar te maken voor politieke en publieke debatten over controversiële vraagstukken die in de samenleving leven. Journaliste Elisabeth Lockhorn heeft daarover gezegd in 1999: “Pessers weet het op de een of andere manier altijd voor elkaar te krijgen een publiek debat af te dwingen. Zij is niet bang daarin alleen te staan”.
Redacteur Dirk Wolthekker van het journalistieke medium Folia van de Universiteit van Amsterdam schreef naar aanleiding van een interview in juli 2017 dat Pessers “soms gevreesd werd om haar scherpe woorden en pen, maar ook zeer geliefd was bij collega-wetenschappers en studenten, juist omdat ze altijd op de bres heeft gestaan voor haar vak”.

Homo duplex – ofwel de gedachte dat ‘de mens lichaam en geest is, een product van natuur en cultuur, vrij en gebonden, redelijk en zinnelijk’ – vormt een terugkerend thema in Pessers’ oeuvre. Het is “de spanning tussen individu en gemeenschap in het recht”. Die spanning is complex, tussen de vrijheid van het individu ten opzichte van de gemeenschap en de plichten tegenover diezefde gemeenschap zonder welke het individu niet vrij kan zijn.

De uiteenlopende onderwerpen van de bijdragen aan dit liber amicorum tonen aan dat Pessers veel thema’s heeft aangesneden: professionele ethiek, biotechnologie, monarchie, euthanasie, het juridisch persoonsbegrip, het openbaar bestuur en afstamming. Ook de disciplines die zij in haar werk bijeenbrengt lopen uiteen: recht, filosofie, antropologie, sociologie en psychologie.

Pessers mogen we wel een ‘avontuurlijk denker’ noemen, aldus de redacteuren van dit boek. Ze blijkt ook wel een visionaire wetenschapper. In haar oratie in 2002 over de waardigheid van de mens had Pessers het over de personalisering van de publieke sfeer. We zien dat die personalisering inmiddels tot wasdom is gekomen anno 2017. De burger gedraagt zich jegens de overheid als een jengelend kind dat zich laaft aan zijn moeder. Het gevolg is een toename aan claimrechten en de groeiende dominantie van het zelfbeschikkingsrecht. Ironisch genoeg levert de burger zich hierdoor juist over aan de macht van de overheid, die in reactie op deze claims steeds verder de persoonlijke levenssfeer binnendringt. Nog ernstiger is dat door deze personalisering van de publieke sfeer de rechtsorde het vermogen verliest haar bemiddelende functie te vervullen. Daardoor dreigt de rechtsstaat te verdwijnen in de destabiliserende krachten van de natuurstaat.
Pessers heeft ook voorzien dat uitleg en interpretatie van juridische begrippen steeds meer afhankelijk wordt van subjectieve criteria. De leegte die hierdoor ontstaat, wordt opgevuld door de fantasma’s van de consumptiemaatschappij en van nieuwe technologieën, zoals bijvoorbeeld de opkomst van anonieme en commerciële vormen van kunstmatige voortplanting illustreert. Het recht op zelfbeschikking wint ook hier aan invloed. Volgens Pessers zetten deze ontwikkelingen het humaniseringsproces van de mens onder druk. De zogeheten humaniserende of antropologische functie van het recht komt op de tocht te staan.

Een ander kernthema is de privatisering en instrumentalisering van de publieke en professionele moraal. In onze tijd, waarin privatisering, instrumentalisering en bureaucratisering belangrijke instituties in de samenleving beheersen is de reciprociteitsmoraal – reciprociteit = wederzijdse gelijkwaardige uitwisseling van producten – aan erosie onderheving, met ontwrichtende gevolgen voor de rechtsstaat, professionele ethiek, het openbaar bestuur, de beroepseer en de wetenschap. Veelvuldig heeft Pessers hierover de noodklok geluid:“Van belang is om de bedrijfsmatige inrichtig van de staat te herzien. De staat is geen op wantrouwen gebaseerde onderneming, is geen BV Nederland, maar de juridische uitdrukking van een op vertrouwen gebaseerde en op duurzaamheid en sociaal geluk gerichte gemeenschap”.

Dorien Pessers heeft aan de basis gestaan van Stichting Beroepseer. Zij was bestuurslid sinds de oprichting in 2006, tot 2015.
Thijs Jansen, directeur van Stichting Beroepseer, heeft voor dit liber amicorum een essay geschreven dat gaat over de lange traditie van de ervaring van onverdiend geluk – de belangeloze gift – die een bron is voor sociale rechtvaardigheid en recht. Deze traditie vormt een tegenwicht voor hebberigheid, egoïsme en arrogantie. Pessers heeft met haar werk Liefde, solidariteit en recht uit 1999 aandacht gevraagd voor deze traditie, maar deze traditie is in feite nog onontgonnen terrein. Jansen spreekt dan ook zijn hoop uit in zijn bijdrage dat deze traditie in de toekomst wetenschappelijke en maatschappelijke aandacht krijgt.

Homo duplex – De dualiteit van de mens in recht, filosofie en sociologie, Liber amicorum voor Doren Pessers, redactie Britta van Beers & Iris van Domselaar, uitgeverij Boom Juridisch, 426 p., 2017, € 65,-

 

Cultuurpedagogiek, onderwijspolitiek en de staat van het onderwijs

omslag cultuurpedagogiek imelman wagenaar meijerDe veranderingen in het onderwijs van de laatste decennia zijn ten koste gegaan van de didactische autonomie van de docenten. Dat is vooral gebeurd in gevallen waarin scholen zijn gefuseerd. Binnen het categoriaal onderwijs – alleenstaande mavo-, havo-, vwo-scholen – is men met name als het om bijzondere levensbeschouwelijke scholen gaat, vaker vernieuwingsbestendig gebleken. In overeenstemming met Haagse regelgeving en beleidswensen heeft men in brede kring geprobeerd een praktijk te realiseren waarin kennnis ‘creërende’ leerlingen zich zelf, onder begeleiding van docenten-op-afstand, ontwikkelen tot ‘aardige, vaardige en waardige’ volwassenen. Deze laatste rijmelarij is illustratief voor het beleid dat ‘Den Haag’ nu al twintig jaar bedenkt en realiseert. En dat is niet een erg best beleid.

In Cultuurpedagogiek, onderwijspolitiek en de staat van het onderwijs wordt duidelijk gemaakt waar het aan schort binnen het denken over onderwijs, binnen het beleid en binnen vele schoolpraktijken zelf. Na de Inleiding volgen vier hoofdstukken die samen een sluitend geheel vormen maar ook als een afzonderlijk essay kunnen worden gelezen. De auteurs spreken de wens uit dat het boek de ogen opent voor het belang van cultuurpedagogische discussie, vooral als het gaat om het leerplan. Ze hopen ook dat de professie in de vier verhalen aanleiding vindt weer rekening te houden met klassiek pedagogische inzichten en dat ze er energie en argumenten uit kan putten om haar autonomie ten opzichte van ouders en politiek weer met verve te verdedigen.

Titel van de hoofdstukken:
1. Over cultuur, onderwijzen en leren.
2. De pedagogische betekenis van het ‘moderne onbewuste’.
3. Hoe de ideologieën van zelfontplooiing en de vrije markt het onderwijs bedreigen.
4. Politiek en onderwijs in Nederland.

De Uitleiding aan het slot van het boek biedt een korte samenvatting met een waarschuwing die hopelijk niet aan dovemansoren is gericht: Elke moderne democatische samenleving heeft ten opzichte van nieuwe generaties verantwoordelijkheid voor goed onderwijs. Op dezelfde manier waarop ze ook verantwoordelijk is voor het goed laten functioneren van leger, politie en de gezondheidszorg. Dat wil zeggen: met inachtneming, steeds weer, van de autonomie van de professionals van deze praktijkgebieden. Die autonomie is de afgelopen vijftig jaar in het onderwijs vergaand geschonden door ingrepen van overheidswege, uiteindelijk zelfs tot op het niveau van het didactisch handelen.
Inmiddels is de pedagogische vaktaal besmet geraakt met niet-pedagogische begrippen en denkwijzen, en daarmee is de potentiële vezieking van de onderwijspraktijk niet te ontkennen. Economische markttermen en ideeën ontleend aan de zelfontplooiingsideologie, en heel concreet ook nog eens door sociaal-constructivistisch gekleurde leerpsychologische begrippen, doen het pedagogisch denken en handelen geweld aan.

Bovendien daagt een nieuw thema aan de horizon: sommige neuropsychologen versimpelen het debat rondom vragen hoe je pedagogisch met pubers om moet gaan, welke eisen te stellen zijn aan het denken en het bewustzijn en wat het verschil is tussen onbewust en bewust.

De weinig fraaie staat van het huidige onderwijs is voor een deel door (grillige) ‘Haagse’ sturing opgeroepen en is al in een heel vroeg stadium doorgesijpeld naar de lerarenopleidingen. Veel docenten zien daardoor onderwijzen en leren niet meer als een rond leerstof triadisch gestructureerde praktijk. Dat wil zeggen dat ze niet hebben leren denken binnen een conceptie volgens welke docent, leerling en leerstof in een evenwichtige verhouding met elkaar staan. Eerder zien ze voor zichzelf een begeleidingstaak weggelegd zoals omschreven binnen het kader van het, op sociaal constructivistische opvattingen gebaseerde, ‘nieuwe leren’ en ‘competentiegericht leren’.

De staat van het onderwijs lijdt ook onder de druk van ouders en leerlingen. Velen van hen vatten de school steeds vaker op als een instituut ter bediening van eigen wensen. Van bewustzijn dat ‘het onderwijs’ een maatschappelijk instituut is, voor het bestaan waarvan men dankbaar mag zijn, is bij ouders en kinderen niet altijd meer iets te merken. Zij zien de vorming in en door de school niet meer als nieuwe generaties zo inleiden in de cultuur dat de personen in wording én de cultuur zelf gediend worden. Als ook de samenleving als geheel de school niet meer ziet als een instituut dat verankerd ligt in de idee van vorming door kennis, kan ze gemakkelijk speelbal worden van hypes en trends, waardoor op hun beurt dan weer partijpolitieke programma’s en het onderwijsbeleid beïnvloed worden. Beleid dat wordt voorbereid en gesteund door adviseurs, onderwijsonderzoekers en docenten die, door ‘Den Haag’ uitgenodigd advies te geven, his master’s voice spreken. Het eindadvies Ons onderwijs2032 is daarvan vooralsnog het laatste onthutsende voorbeeld. Een rondcirkelende carrousel van vernieuwingen die zichzelf steeds opnieuw bevestigt.

De hoop is gevestigd op meer bezonnen ideeën over onderwijzen, leren en vorming.

Cultuurpedagogiek, onderwijspolitiek en de staat van het onderwijs, door Jan Dirk Imelman, Henk Waghenaar en Wilna Meijer, uitgeverij Koninklijke Van Gorcum, 140 p., 2017, € 16,95

Leraar, hoe doe jij dat?

omslag leraar hoe doe jij datWat moet een leraar wel of juist niet doen om goed les te geven? Wetenschappelijk onderzoek levert op deze vraag geen eensluidende antwoorden op. Daarom blijft het hachelijk om tegen leraren te zeggen hoe ze het moeten doen. Hoe komt dat? Professor A.D. de Groot, met een aantal collega’s in 1968 oprichter van het Cito – Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling – was van mening dat leraren hun persoonlijke en individuele manier van werken moeten afleggen. Maar Wim Kuiper, voorzitter van Verus, Vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs die het Voorwoord schreef, vindt dat helemaal niet. Hij vindt nu juist dat de persoon van de leraar medebepalend is voor een goede relatie met de leerlingen en daarmee voor goede onderwijsresultaten. Leraar, hoe doe jij dat? gaat over het vakmanschap van de leraar, belicht op drie manieren: wetenschappelijk, verhalend en beeldend.

Onderwijspedagoog professor Gert Biesta analyseert in het eerste hoofdstuk Goed onderwijs mogelijk maken het werk van de leraren. Hij legt uit wat het beroep van leraar inhoudt en laat zien hoe leraren tot goed handelen komen. Dat doen zij niet volgens een vast stramien, maar door ruimte te nemen, door hun vermogens te gebruiken, door te oordelen over het hoe en waartoe van hun werk en door virtuoos te zijn. Hij laat ook zien waardoor zij in hun werk worden belemmerd en gestimuleerd.
Biesta: “Wil onderwijs mogelijk zijn, dan kan de leraar nooit volgens een vaste receptuur werken. De leraar moet altijd inspelen op de concrete, unieke situaties die de werkelijkheid van het onderwijs uitmaken”.

Volgens Biesta wordt er tegenwoordig nogal vaak over de school en de klas als leergemeenschap gesproken, waarbij wordt benadrukt dat leerlingen er leraren allemaal van alles te leren hebben en ook feitelijk van alles leren. Dat laatste klopt uiteraard, maar volgens Biesta moeten we daar niet de conclusie uit trekken dat we daarmee ook een adequate beschrijving hebben van het werk van de leraar en de verantwoordelijkheid die bij dat werk in het geding is. Het is de taak van de leraar om onderwijs te geven. Wat maakt het mogelijk om het vak goed uit te oefenen? Biesta introduceert het begrip teacher agency. De term is enigszins moeilijk te vertalen in het Nederlands. Een letterlijke vertaling van agency als ‘agentschap’ voldoet niet. Gebruik van het woord agent in de handel en zakenwereld wil zeggen dat iemand kan handelen en beslissingen kan nemen namens een bedrijf zonder daarbij steeds ruggespraak te hoeven houden met het hoofdkantoor. Een agent heeft zo bezien een zekere vrijheid van handelen. Hij beschikt over handelingsruimte en dat is precies het idee achter de term teacher agency. Biesta heeft het liever over agency dan over autonomie omdat het niet gaat om ’alle macht aan de leraar’. Net zoals een agent werkt voor een bedrijf en zich in denken en doen moet laten leiden door de doelen en waarden van het bedrijf, zo is het handelen van de leraar niet honderd procent vrij. De leraar is gebonden aan bepaalde ideeën over wat onderwijs tot onderwijs maakt.

Biesta heeft het ook over de virtuositeit van de leraar, het vermogen om subtiel en doordacht in te spelen op de leerlingen en op de situatie om te kunnen zien wat er nodig is en daarnaar te kunnen handelen. Het gaat om doordacht handelen, het vermogen om in concrete en in zeker opzicht unieke situaties datgene te doen wat onderwijspedagogisch gezien wenselijk is.

In Leraar hoe doe jij dat? vertellen tien leraren – zes vrouwen en vier mannen – in een interview aan Nico Dullemans over hun beroep: “Met trein, bus en zelfs een keer met een taxi reisde ik naar hun school en trof daar toegewijde mensen aan. Gewone mensen ook, die – en dat was wel opmerkelijk – op een holistische manier over hun werk spreken. Dit betekent dat zij ’hele mensen’ observeren als zij met hun leerlingen bezig zijn. Zij voelen daar verantwoordelijkheid voor zonder precies te weten waaraan zij beginnen”. De leraren zijn afkomstig uit het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs. Onder hen bevindt zich o.a. een leraar gymnastiek, een leraar wiskunde, een leraar Engels en een leraar economie en ondernemen.
De leraren vertellen over hoe zij hun beroep beleven, hoe ze een les beginnen, wat zij doen als het niet gaat met een klas of met een leerling. Zij leggen uit waarom zij van hun werk houden en waarom zij het volhouden. Veel is te lezen over de virtuositeit van de leraren, hun manier van kijken, van dingen ‘zien’ en hun manier van doen, toegespitst op concrete situaties en individuele kinderen. Vanuit het besef wat er nodig is, ook als dat tegen de regels of “wat moet” ingaat. In kleine opmerkingen, korte observaties en in een zekere ‘koppigheid’ worden voor de lezer decennia van praktijkervaring van de leraar zichtbaar.

De laatste twee pagina’s van het boek zijn gewijd aan Openingen voor gesprekken voor studenten, leraren, schoolleiders, bestuurders en toezichthouders.

Leraar, hoe doe jij dat? Vakmanschap in beeld, door Gert Biesta, Jan Bot en Nico Dullemans, Uitgeverij Kwintessens, 109 p., geillustreerd met foto’s, 2017, € 24,95

 

Verwondering – Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen

omslag verwonderingHoe motiveer je kinderen en pubers voor leren? Docenten en opvoeders vragen zich dat geregeld af. ‘Verwondering’ is het antwoord – volgens docent en auteur Dick van der Wateren.
Het boek is de neerslag van vijfendertig jaar lesgeven in het voortgezet ondewijs en aan universiteiten, en het resultaat van twee jaar nadenken, schrijven en veel schrappen. Het is bedoeld als handreiking aan iedere leraar en opvoeder die jonge mensen wil stimuleren zelfstandig te denken en de werkelijkheid te onderzoeken.

Van der Wateren wilde zijn ervaringen op een rijtje zetten over manieren van lesgeven die leerlingen meer motiveren en voor hen relevanter zijn dan de manier waarop we het meestal doen: “Ik ben tot de conclusie gekomen dat we in ons onderwijs teveel bezig zijn met antwoorden – en dan meestal antwoorden die in het leerboek staan – en te weinig met vragen, laat staan interessante vragen”.
Het boek is bedoeld voor pedagogen en leraren die hun leerlingen willen helpen betere vragen te stellen. Nieuwsgierigheid, je verwonderen en vragen stellen zijn het begin van denken, begrip, groei en innovatie: uiterst waardevolle gereedschappen.
Van de Wateren illustreert het met voorbeelden en ervaringen uit zijn eigen praktijk als docent, en met voorbeelden van onderzoek en veldwerk met leerlingen: “Naast natuurwetenschappelijke voorbeelden laat ik zien hoe je ook bij andere vakken – bijvoorbeeld talen, maatschappijleer en kunstvakken – meer vanuit vragen zou kunnen werken. Voor alle duidelijkheid, het gaat hierbij niet om vragen voor standaardtoetsen, proefwerken of examens. Veel van de vragen in dit boek zijn vragen die meestal niet op de gebruikelijke manier kunnen worden getoetst – en dat is ook niet de bedoeling. De antwoorden liggen ook niet direct voor de hand. Ze zijn bedoeld om nieuwsgierigheid, fantasie en ontdekkingslust bij kinderen en jongeren aan te wakkeren; creativiteit dus en kritisch denken. Dat zijn eigenschappen die niet of nauwelijks meetbaar zijn; net zo weinig meetbaar als geluk en liefde, maar zeker zo belangrijk”.

Verwondering is in elk geval geen boek met standaardrecepten voor een goede les: “Ik ben van mening dat iedereen zijn of haar eigen manier van lesgeven moet ontdekken. Wat voor mij werkt hoeft niet voor een ander te werken”.
Het boek is ingedeeld in zes hoofdstukken, met zeven bijlagen en een inleiding. Aan het eind van het boek zou een grote punt moeten staan, schrijft Van der Wateren: “Maar ik eindig met een komma. Ik daag de lezer uit dit boek verder te schrijven. Laat je leerlingen zien welke verten zich openen wanneer we ons verwonderen. En deel die ervaringen. Deze manier van lesgeven vraagt om een onderzoekende instelling, de onbevangen houding van een kind dat iets uitprobeert en, wanneer dat niet meteen lukt, het op een andere manier opnieuw probeert net zo lang tot het werkt.
[ … ] Je verwonderen en vragen stellen is een spel. De school wordt daarmee een speelplaats en een laboratorium, waar je veilig en vrij bent om van alles uit te proberen”.

Verwondering – Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen, door Dick van der Wateren, Ten Brink Uitgevers, 108 p., 2017, € 14,95

Mal of meester

omslag mal of meesterIn de huidige competentiegerichte opleidingen is er steeds minder ruimte voor persoonlijke interactie. De waardering voor praktijkkennis neemt af. Communicatie tussen opleiders en leerlingen verloopt tegenwoordig steeds meer via e-mail en intranet. Voor praktijkleren is geen plaats meer. De voorbeeldfunctie van de opleider, de rol van de leermeester staat onder druk. Het belang van zijn rol wordt onderschat of genegeerd. En dat terwijl er aan de andere kant vraag is naar rolmodellen.
Er is kennis die niet in boeken is te vinden maar wel bij leermeesters. Zij zijn de ‘dragers’ van praktijkkennis. Ervaringen en inzichten, opgedaan tijdens de beroepsuitoefening vormen het kenniskapitaal van een beroep of een discipline. We zouden hier ook het onderscheid tussen ‘boekenwijsheid’ en ‘praktische wijsheid’ kunnen maken. Boekenwijsheid leer je door te studeren, maar praktisch wijs word je door te oefenen. De educatieve interactie tussen ervaren beroepsbehoefenaren en lerende toekomstige beroepsbeoefenaren verdient volgens Terpstra dan ook een plek in de opleiding. Boekenwijsheid en praktische wijsheid zijn immers niet inwisselbaar.

Om te weten te komen hoe belangrijk de rol van een leermeester is interviewde Terpstra voor haar boek een aantal beroepsbeoefenaren. Ze vroeg hen naar hun ervaringen met leermeesters. Waarom zij de ene leraar wel en de andere niet een leermeester noemen en of ze onderscheid maken tussen ‘voorbeeld’ en ‘leermeester’. Tenslotte kregen ze nog de vraag voorgelegd welke kenmerken beiden hebben. Geïnterviewd zijn een meubelmaker, filosoof, musicus, dokter, striptekenaar, acteur, restaurateur, kok en ethicus.

Hoe kun je van anderen iets leren dat niet of moeilijk verwoord kan worden? Door te laten zien, aldus de door Terpstra geciteerde filosoof Michael Polanyi (1891-1976). Polanyi introduceerde het begrip tacit knowing, een weten dat je niet ten volle kunt verwoorden. Hij heeft ook gezegd dat “every profession, even the most intellectual one, has a craft side”. Ieder vak heeft een ambachtelijke zijde. Want voor het uitoefenen van een vak heb je vaardigheden nodig. Of het nu gaat om meubelmakers dichters, dokters of boeren, fietsenmakers, leraren, stukadoors of vrachtwagenchauffeurs, vioolbouwers, politici of wetenschappers. En op die ambachtelijke zijde krijg je alleen greep als je met beide benen in de praktijk staat en oefent, veel oefent. Door oefenen leer je ‘weten’ hoe je iets moet aanpakken, ‘weten’ hoe je hoofd- en bijzaken moet onderscheiden, ‘weten’ hoe je informatie moet ordenen, indrukken betekenis moet geven, ‘weten’ wat het betekent iets te doen of juist te laten. Het gaat steeds om een vorm van ‘weten’ die je niet ten volle kunt verwoorden. Dit ‘weten’ behoort tot je domein van tacit knowing. “We weten meer dan we kunnen vertellen”, aldus Polanyi.

De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.C.) adviseerde mensen met ervaring tot voorbeeld te nemen en van hen te leren door te observeren. Hij zei: Zoek een wijs en goed mens wiens houding levenslessen in zich draagt. Verblijf een tijd in zijn buurt. Observeren en luisteren zijn essentiële leerbronnen.
Zoek de educatieve interactie met ervaren beroepsbeoefenaren is het advies van Polany. Observeer, luister, stel vragen. Hij gaat nog een stap verder. In zijn ogen hebben ervaren beroepsbeoefenaren zelfs de morele plicht lerenden veelvuldig bij zich in de buurt te halen om hen te laten ‘af’kijken en ‘af’luisteren, en met hen van gedachten te wisselen.

Dit boek is een warm pleidooi voor onderwijs van mens tot mens. “We willen meetbare feiten”, schrijft Terpstra, “maten en getallen. Niet het tastende en zoekende van de taal, waarmee je probeert te overreden en te overtuigen. Als je er goed over nadenkt, zitten we gevangen in de wonderlijke illusie dat meer feitenkennis ook meer inzichten oplevert. T.S. Eliott zei het al in zijn gedicht Choruses from The Rock: Where is the wisdom we have lost in knowledge? Where is de knowledge we have lost in information?”

Tineke Terpstra hield zich vele jaren bezig met beleid in de gezondheidszorg. Zij was fractiemedewerker van D66 in de Tweede Kamer (1980–1986) en secretaris bij de Gezondheidsraad (tot 2002). Zij promoveerde in 2008 op een onderzoek naar voorbeelden en leermeesters in twee medische disciplines aan de Universiteit van Amsterdam. (Gezel bij moderne meesters).
Terpstra’s boek is een essay in drie delen waarin de auteur haar denklijnen over leren door observen in gespreksvorm ontwikkelt.

Mal of meester – Aantekeningen bij competentiegericht opleiden, door Tineke Terpstra, Amsterdam University Press, 232 p., geïll., 2017, € 19,95

De platformsamenleving

omslag de platformsamenlevingDe platformsamenleving is het resultaat van een project dat in 2013 begon onder de titel Sociale media en de transformatie van de publieke ruimte. Dit samenwerkingsproject tussen mediawetenschappers van de Universiteit van Amsterdam en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is gesteund en mogelijk gemaakt door het ‘Over Grenzen’-programma van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Dat programma daagt onderzoekers uit academische kennis te verbinden aan toegepaste of toepassingsgerichte domeinen. De centrale vraag in dit project was aanvankelijk hoe de opkomst en snelle verspreiding van sociale medianetwerken als Facebook, Instagram, WhatsApp, Twitter, Google+ en videoplatformen als YouTube steeds meer invloed krijgen op het sociale verkeer, en wat dit betekent voor beleidsmakers.
Mediawetenschappers richten zich doorgaans op het eerste vraagstuk en minder vaak op het tweede: de implicaties van de werking van onlineplatformen voor beleid en beleidsmakers. Onderwerpen als digitalisering, informatisering en dataficering van de samenleving hebben de afgelopen decennia prominent op de werkagenda van de WRR gestaan. Het is dan ook niet toevallig dat in deze studie veel gebruik gemaakt is van WRR-rapporten die in het verleden over dit onderwerp verschenen zijn. Enerzijds omdat de WRR door dit project meer inzicht en kennis wilde krijgen in hoe sociale media precies werken; anderzijds omdat de adviezen die in de loop van de tijd verschenen zijn, bij uitstek zicht bieden op hoe het onderwerp is geëvolueerd.

De auteurs schriven in het Voorwoord dat hun onderwerp aanvankelijk vrij nauw gedefinieerd was. Dat sociale media een belangrijke rol spelen in ons dagelijkse sociale en economische verkeer, was in 2013 wel duidelijk: “Maar het onderwerp bleek niet stil te staan: ieder jaar kwamen er nieuwe typen onlineplatformen bij die ons dwongen het onderwerp uit te breiden. Uber veroverde lokale markten voor taxivervoer, Airbnb positioneerde zich stevig op de hotelmarkt, platformen als Coursera en edX creëerden een niche in de onlineonderwijsmarkt, en in 2015 deed zich een explosie aan gezondheidsapps voor. Gaandeweg constateerden we dat we de analyse minder moesten richten op specifieke (sociale media)platformen en meer op de mechanismen die ze in gang zetten. Tezelfdertijd werd ook duidelijk dat onlineplatformen vanuit steeds meer sectoren en domeinen een groeiende invloed kregen op de inrichting van de samenleving. We besloten onze focus aan te passen en aan de hand van enkele exemplarische sectoren te laten zien hoe platformmechanismen werken en welke gevolgen ze kunnen hebben voor de verankering van publieke belangen. Het resultaat is een analyse van het wat, hoe en waarom van een zich ontwikkelende platformdynamiek”.

De platformsamenleving laat zien hoe onlineplatformen werken en wat burgers en overheden ermee (kunnen) doen. Het is geen handboek of how-to-gids, en ook geen wetenschappelijk empirisch onderzoek naar de effecten van platformen. Het is een verkenning van de relatie tussen platformen en de samenleving waarin ze geleidelijk vervlochten worden. Inzet was de vraag: Hoe kunnen in de platformsamenleving publieke waarden worden veiliggesteld?

De platformsamenleving – strijd om publieke waarden in een online wereld, door José van Dijck,
Thomas Poell en Martijn de Waal, Amsterdam University Press, 180 p., 2016, € 19,95

Voorbij het meetbare

omslag voorbij het meetbare“We meten alles op het werk, behalve wat echt telt. Cijfers – over inkomsten, uitgaven, productiviteit, betrokkenheid, personeelsverloop – zijn geruststellend en creëren een illusie van controle. Maar in het geval van een groot succes of een grote mislukking wijzen alle vingers, van de CEO tot aan de schoonmaker, dezelfde kant op: de cultuur. Cultuur, dat onmeetbare en soms ogenschijnlijk onbegrijpelijke begrip, is uitgegroeid tot het geheime recept van organisaties – dat wat het verschil maakt, maar waarvan niemand de ingrediënten kent”.
De Amerikaanse onderneemster Margaret Heffernan begint haar boek Voorbij het meetbare. De grote impact van kleine veranderingen met uitleggen wat er bedoeld wordt met een organisatie- of bedrijfscultuur: de manier waarop men in een bedrijf denkt en waarneemt, met elkaar spreekt en naar elkaar luistert.

Volgens Heffernan hebben we geen miljoenen kostend businessplan nodig of een lange termijn van voorbereiding voordat er veranderingen kunnen worden aangebracht. In Voorbij het meetbare houdt zij een pleidooi voor juist het tegenovergestelde van radicale transformatie en groots opgezette plannen. Haar ervaring is dat kleine stappen – die iedereen kan nemen – tot een nieuwe bedrijfscultuur kunnen leiden. Kleine veranderingen hebben grote invloed.
Met kleine veranderingen worden bedoeld: luisteren, vragen stellen, informatie delen. Ze roepen reacties op die op hun beurt weer invloed hebben en een systeem kunnen veranderen.
Niet vrijuit spreken, geen lastige vragen stellen of zorgen delen kan fatale gevolgen hebben zoals Heffernan illustreert aan de hand van een voorbeeld uit de luchtvaart: de crash van een vliegtuig van British European Airways in 1972 die werd veroorzaakt door mankementen die bij veel mensen al langer bekend maar nooit hardop benoemd waren. Toch bracht de ramp een nieuwe manier van samenwerken voort, gebaseerd op het creëren van vertrouwen en het delen van informatie en ideeën. Een cultuuromslag in de burgerluchtvaart was het gevolg. In plaats van geheimhouding kwam er openheid. In plaats van fouten toedekken werden ze nu onderkend en breed toegegeven, zonder gevoelens van schaamte of schuld zodat er lering uit getrokken kon worden.
De nieuwe manier van werken kreeg de naam rechtvaardige cultuur (just culture).

Tegenwoordig is in elke werkomgeving behoefte aan een rechtvaardige cultuur – niet alleen om ongelukken te voorkomen, maar ook om uit elke werknemer het beste te halen. We kunnen het ons niet veroorloven, aldus Heffernan in haar inleiding, sommige mensen te laten floreren, terwijl anderen er passief, gedemotiveerd of ontgoocheld bij zitten. Organisaties herbergen een rijke bron aan menselijk kapitaal. In een rechtvaardige cultuur worden de vindingrijkheid en de intelligentie van ieder individu ten volle benut. Verbeelding wordt beloond en oprechtheid op waarde geschat.
Zo’n cultuur is democratisch en behoeft een ruimhartige en bescheiden mentaliteit. Dus niet op informatie zitten en je kaarten tegen de borst houden omdat je daar macht aan ontleent. Nee informatie dient gedeeld en verspreid om anderen te inspireren en te stimuleren. In een rechtvaardige cultuur telt iedere persoon mee.
“Ik weet niet hoeveel ondernemers ik heb gesproken die – achteraf – een geweldig idee hadden, maar dat niet hadden durven delen, uit angst om uit de pas te lopen of om al te dwaas over te komen. De passiviteit die zich in deze stilte uit, eist een zekere tol, niet alleen als mensen het gevoel hebben dat ze anderen niet kunnen waarschuwen voor problemen, maar ook als ze het gevoel hebben nieuwe ideeën niet te kunnen toetsen en verkennen. In die stilte gaan veel kansen verloren”.

Heffernan heeft op haar reizen ervaren dat conflictmijdend gedrag en het verlangen om te behagen universeel zijn en onze energie en moed uithollen: “Als ik over deze verspeelde kansen praat met mensen, zeggen ze allemaal hetzelfde: het ligt aan de cultuur. Cultuur is uitgegroeid tot alibi, tot zondebok voor alles wat er mis is. De vraag is wie dit probleem kan oplossen. Wij allemaal. Dit boek richt zich dan ook op iedereen die, van CEO tot schoonmaker, gezamenlijk of individueel een betere werkomgeving nastreeft”.

Wat dit boek niet biedt, vervolgt Heffernan “is een panklaar recept voor snelle transformatie, handzame tips en trucs die zo populair zijn bij motivatiesprekers en bedrijfsgoeroes. Liever hou ik mij bezig met denken: een nogal alledaags, laagtechnologisch concept dat gemakkelijk vergeten en stelselmatig onderschat wordt. Maar wie denkt moet zijn bezigheden staken. En wie zijn gedachten de vrije loop laat, onttrekt zich aan clichés, aan jargon, aan wijsheid achteraf. Op die manier kom je erachter wat je gelooft, wie je bent en wat je wilt of moet zeggen. Wanneer je de tijd neemt om na te denken, hervind je de moed, het verstand, het mededogen, de verbeelding, de vreugde, de frustratie, de ontdekking en de toewijding die werk kan opwekken. Kortom, al die zaken op het werk die tellen, ook al zijn ze voorbij ‘het meetbare’.”

Voorbij het meetbare. De grote impact van kleine veranderingen, door Margaret Heffernan, serie TED-boeken, Amsterdam University Press, geïll., 120 p., 2016, € 14,95

 

De tango van wethouder en ambtenaar

omslag de tango van wethouder en ambtenaarDe tango van wethouder en ambtenaar is op verzoek van de Wethoudersvereniging tot stand gekomen. Het idee is ontstaan na het lezen van het boek Ik en mijn wethouder. Daarin werden vanuit het perspectief van ambtenaren archetypische omschrijvingen van wethouders gegeven. De Wethoudersvereniging heeft bij wijze van pendant op die publicatie aangedrongen op deze uitgave die tot stand is gekomen in samenwerking met het programma Lokale Democratie in Beweging. Het programma beoogt onder meer het politiek-ambtelijke samenspel te versterken. Het is voor (lokale) overheden van groot belang om samen mee te bewegen met de veranderende samenleving.

Als men een beeld wil krijgen hoe een wethouder zijn vak beleeft en welke positie hij of zij kiest in de samenleving, kun je vragen: hoe waren uw eerste honderd dagen als wethouder? De wondere wereld van het gemeentebestuur die dan wordt beschreven, maakt veel duidelijk over de complexiteit van het vak. Van agendabeheer tot het nemen van besluiten met grote financiële of maatschappelijke consequenties. Alles komt langs in deze eerste fase van het wethouderschap.

De wethouder opereert als een danser(es) op de dansvloer met diverse danskoppels. Soms beweeg je mee, soms bots je, soms wissel je van danspartner, je zet je koers uit en danst met passie! De wethouder van vandaag moet zich kunnen bewegen in een complex krachtenveld. Daarbij is de samenwerking met de ambtelijke organisatie van cruciaal belang voor de wethouder.
Toch zien we in de praktijk dat de wethouder en ambtenaar niet atijd in de maat dansen en elkaar op de tenen trappen. Uiteindelijk is het de opgave om het samenspel tussen de wethouder en de ambtenaren succesvol te laten zijn.

De beste leerschool voor een wethouder is de praktijkervaring. Er is geen opleiding om wethouder te worden. Er is geen handleiding ‘hoe communiceer ik met ambtenaren?’. Wat wel volop aanwezig is, zijn de ervaringen van (oud) wethouders.
Voor dit boek hebben auteurs Jur de Haan en Erik van Venetië in de zomer van 2016 interviews gehouden met 32 wethouders van alle politieke kleuren, afkomstig uit kleine en grote gemeenten verspreid over het land. Aanvullende informatie hebben ze gehaald uit een gesprek met het bestuur van de Wethoudersvereniging en uit twee intervisiebijeenkomsten, in Breda en Leeuwarden, met bestuurders en ambtenaren.

De tango van wethouder en ambtenaren komt op een goed moment. Gemeenten krijgen meer taken, de netwerksamenleving rukt op, de wethouder is kwetsbaarder, ambtenaren moeten overleven in reorganisaties. De tijdgeest vraagt om nieuwe wethouders en om nieuwe ambtenaren.
“De buitenwereld verandert sneller dan de gemeente kan bijbenen”, zegt een wethouder. De veranderingen schuren met de traditie, de zekerheden en de procedures waar ambtenaren mee zijn opgegroeid en opgevoed, compleet met de trucs die elke bureaucratie kenmerkt. De wethouders vertellen hoe ze hiermee omgaan en hoe ze hun nieuwe rol vinden, samen met hun – ook al -zoekende ambtenaren. Zo ontstaat het beeld van een nieuw samenspel.

Het eerste hoofdstuk is getiteld: De eenzame bestuurder op de eerste dag: “Daar zit ze dan, de nieuwe wethouder. Ze heeft een bureau, een computer en een secretaresse. Die vraagt: ‘Moet ik u zeggen?’
En ze heeft een volle agenda. Om 10 uur staat het eerste stafoverleg gepland. Om kwart voor tien komt een afdelingshoofd binnen. Hij legt een dikke ordner met beleidsnota’s op haar bureau. ‘Hier staat ons hele beleid in’, zegt de ambtenaar. ‘Moet ik dat allemaal lezen?’ vraagt de wethouder. ‘Nou, dat hoeft niet. Maar het is wel goed om het te hebben’, zegt de ambtenaar. Even later arriveren de andere ambtenaren. Tijdens het stafoverleg kijkt de wethouder als een dood vogeltje. Er komt zo veel op haar af. Ze is overdonderd. Om twaalf uur steekt de secretaresse haar hoofd om de deur. ‘Wat wilt u lunchen?’ De wethouder hoort zichzelf zeggen: ‘Doe maar wat’.

Een wethouder typeerde haar werk eens als “de meest fantastische hondenbaan. De lol in mijn werk straal ik uit. Dat werkt aanstekelijk op mijn ambtenaren. Dan lopen ze harder voor mij”. Een vak om trots op te zijn, staat er dan ook op de site van de Wethoudersvereniging.

De tango van wethouder en ambtenaar, door Jur de Haan en Erik van Venetië, uitgave van de Wethoudersvereniging, 87 p., 2016, € 10,-. Bestellen door sturen van e-mail naar info@wethoudersvereniging.nl met vermelding van Tango.

 

Nieuwsbrief ontvangen?

Wij houden u graag op de hoogte van actuele ontwikkelingen binnen Stichting Beroepseer.  Wilt u onze nieuwsbrief ontvangen? Dan kunt u zich hieronder aanmelden.

Contact

Adres:
Godfried Bomansstraat 8, Unit 9
4103 WR Culemborg

Email:
info@beroepseer.nl

Stichting Beroepseer

© Stichting beroepseer