header2

Inloggen

Aanbevolen boeken III

 

Leraar, hoe doe jij dat?

omslag leraar hoe doe jij datWat moet een leraar wel of juist niet doen om goed les te geven? Wetenschappelijk onderzoek levert op deze vraag geen eensluidende antwoorden op. Daarom blijft het hachelijk om tegen leraren te zeggen hoe ze het moeten doen. Hoe komt dat? Professor A.D. de Groot, met een aantal collega's in 1968 oprichter van het Cito - Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling - was van mening dat leraren hun persoonlijke en individuele manier van werken moeten afleggen. Maar Wim Kuiper, voorzitter van Verus, Vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs die het Voorwoord schreef, vindt dat helemaal niet. Hij vindt nu juist dat de persoon van de leraar medebepalend is voor een goede relatie met de leerlingen en daarmee voor goede onderwijsresultaten. Leraar, hoe doe jij dat? gaat over het vakmanschap van de leraar, belicht op drie manieren: wetenschappelijk, verhalend en beeldend.

Onderwijspedagoog professor Gert Biesta analyseert in het eerste hoofdstuk Goed onderwijs mogelijk maken het werk van de leraren. Hij legt uit wat het beroep van leraar inhoudt en laat zien hoe leraren tot goed handelen komen. Dat doen zij niet volgens een vast stramien, maar door ruimte te nemen, door hun vermogens te gebruiken, door te oordelen over het hoe en waartoe van hun werk en door virtuoos te zijn. Hij laat ook zien waardoor zij in hun werk worden belemmerd en gestimuleerd.
Biesta: “Wil onderwijs mogelijk zijn, dan kan de leraar nooit volgens een vaste receptuur werken. De leraar moet altijd inspelen op de concrete, unieke situaties die de werkelijkheid van het onderwijs uitmaken”.

Volgens Biesta wordt er tegenwoordig nogal vaak over de school en de klas als leergemeenschap gesproken, waarbij wordt benadrukt dat leerlingen er leraren allemaal van alles te leren hebben en ook feitelijk van alles leren. Dat laatste klopt uiteraard, maar volgens Biesta moeten we daar niet de conclusie uit trekken dat we daarmee ook een adequate beschrijving hebben van het werk van de leraar en de verantwoordelijkheid die bij dat werk in het geding is. Het is de taak van de leraar om onderwijs te geven. Wat maakt het mogelijk om het vak goed uit te oefenen? Biesta introduceert het begrip teacher agency. De term is enigszins moeilijk te vertalen in het Nederlands. Een letterlijke vertaling van agency als ‘agentschap’ voldoet niet. Gebruik van het woord agent in de handel en zakenwereld wil zeggen dat iemand kan handelen en beslissingen kan nemen namens een bedrijf zonder daarbij steeds ruggespraak te hoeven houden met het hoofdkantoor. Een agent heeft zo bezien een zekere vrijheid van handelen. Hij beschikt over handelingsruimte en dat is precies het idee achter de term teacher agency. Biesta heeft het liever over agency dan over autonomie omdat het niet gaat om ’alle macht aan de leraar’. Net zoals een agent werkt voor een bedrijf en zich in denken en doen moet laten leiden door de doelen en waarden van het bedrijf, zo is het handelen van de leraar niet honderd procent vrij. De leraar is gebonden aan bepaalde ideeën over wat onderwijs tot onderwijs maakt.

Biesta heeft het ook over de virtuositeit van de leraar, het vermogen om subtiel en doordacht in te spelen op de leerlingen en op de situatie om te kunnen zien wat er nodig is en daarnaar te kunnen handelen. Het gaat om doordacht handelen, het vermogen om in concrete en in zeker opzicht unieke situaties datgene te doen wat onderwijspedagogisch gezien wenselijk is.

In Leraar hoe doe jij dat? vertellen tien leraren - zes vrouwen en vier mannen - in een interview aan Nico Dullemans over hun beroep: “Met trein, bus en zelfs een keer met een taxi reisde ik naar hun school en trof daar toegewijde mensen aan. Gewone mensen ook, die - en dat was wel opmerkelijk – op een holistische manier over hun werk spreken. Dit betekent dat zij ’hele mensen’ observeren als zij met hun leerlingen bezig zijn. Zij voelen daar verantwoordelijkheid voor zonder precies te weten waaraan zij beginnen”. De leraren zijn afkomstig uit het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs. Onder hen bevindt zich o.a. een leraar gymnastiek, een leraar wiskunde, een leraar Engels en een leraar economie en ondernemen.
De leraren vertellen over hoe zij hun beroep beleven, hoe ze een les beginnen, wat zij doen als het niet gaat met een klas of met een leerling. Zij leggen uit waarom zij van hun werk houden en waarom zij het volhouden. Veel is te lezen over de virtuositeit van de leraren, hun manier van kijken, van dingen ‘zien’ en hun manier van doen, toegespitst op concrete situaties en individuele kinderen. Vanuit het besef wat er nodig is, ook als dat tegen de regels of “wat moet” ingaat. In kleine opmerkingen, korte observaties en in een zekere ‘koppigheid’ worden voor de lezer decennia van praktijkervaring van de leraar zichtbaar.

De laatste twee pagina's van het boek zijn gewijd aan Openingen voor gesprekken voor studenten, leraren, schoolleiders, bestuurders en toezichthouders.

Leraar, hoe doe jij dat? Vakmanschap in beeld, door Gert Biesta, Jan Bot en Nico Dullemans, Uitgeverij Kwintessens, 109 p., geillustreerd met foto's, 2017, € 24,95

 

Verwondering - Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen

omslag verwonderingHoe motiveer je kinderen en pubers voor leren? Docenten en opvoeders vragen zich dat geregeld af. ‘Verwondering’ is het antwoord - volgens docent en auteur Dick van der Wateren.
Het boek is de neerslag van vijfendertig jaar lesgeven in het voortgezet ondewijs en aan universiteiten, en het resultaat van twee jaar nadenken, schrijven en veel schrappen. Het is bedoeld als handreiking aan iedere leraar en opvoeder die jonge mensen wil stimuleren zelfstandig te denken en de werkelijkheid te onderzoeken.

Van der Wateren wilde zijn ervaringen op een rijtje zetten over manieren van lesgeven die leerlingen meer motiveren en voor hen relevanter zijn dan de manier waarop we het meestal doen: “Ik ben tot de conclusie gekomen dat we in ons onderwijs teveel bezig zijn met antwoorden – en dan meestal antwoorden die in het leerboek staan – en te weinig met vragen, laat staan interessante vragen”.
Het boek is bedoeld voor pedagogen en leraren die hun leerlingen willen helpen betere vragen te stellen. Nieuwsgierigheid, je verwonderen en vragen stellen zijn het begin van denken, begrip, groei en innovatie: uiterst waardevolle gereedschappen.
Van de Wateren illustreert het met voorbeelden en ervaringen uit zijn eigen praktijk als docent, en met voorbeelden van onderzoek en veldwerk met leerlingen: “Naast natuurwetenschappelijke voorbeelden laat ik zien hoe je ook bij andere vakken - bijvoorbeeld talen, maatschappijleer en kunstvakken - meer vanuit vragen zou kunnen werken. Voor alle duidelijkheid, het gaat hierbij niet om vragen voor standaardtoetsen, proefwerken of examens. Veel van de vragen in dit boek zijn vragen die meestal niet op de gebruikelijke manier kunnen worden getoetst - en dat is ook niet de bedoeling. De antwoorden liggen ook niet direct voor de hand. Ze zijn bedoeld om nieuwsgierigheid, fantasie en ontdekkingslust bij kinderen en jongeren aan te wakkeren; creativiteit dus en kritisch denken. Dat zijn eigenschappen die niet of nauwelijks meetbaar zijn; net zo weinig meetbaar als geluk en liefde, maar zeker zo belangrijk”.

Verwondering is in elk geval geen boek met standaardrecepten voor een goede les: “Ik ben van mening dat iedereen zijn of haar eigen manier van lesgeven moet ontdekken. Wat voor mij werkt hoeft niet voor een ander te werken”.
Het boek is ingedeeld in zes hoofdstukken, met zeven bijlagen en een inleiding. Aan het eind van het boek zou een grote punt moeten staan, schrijft Van der Wateren: “Maar ik eindig met een komma. Ik daag de lezer uit dit boek verder te schrijven. Laat je leerlingen zien welke verten zich openen wanneer we ons verwonderen. En deel die ervaringen. Deze manier van lesgeven vraagt om een onderzoekende instelling, de onbevangen houding van een kind dat iets uitprobeert en, wanneer dat niet meteen lukt, het op een andere manier opnieuw probeert net zo lang tot het werkt.
[ ... ] Je verwonderen en vragen stellen is een spel. De school wordt daarmee een speelplaats en een laboratorium, waar je veilig en vrij bent om van alles uit te proberen”.

Verwondering - Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen, door Dick van der Wateren, Ten Brink Uitgevers, 108 p., 2017, € 14,95

Mal of meester

omslag mal of meesterIn de huidige competentiegerichte opleidingen is er steeds minder ruimte voor persoonlijke interactie. De waardering voor praktijkkennis neemt af. Communicatie tussen opleiders en leerlingen verloopt tegenwoordig steeds meer via e-mail en intranet. Voor praktijkleren is geen plaats meer. De voorbeeldfunctie van de opleider, de rol van de leermeester staat onder druk. Het belang van zijn rol wordt onderschat of genegeerd. En dat terwijl er aan de andere kant vraag is naar rolmodellen.
Er is kennis die niet in boeken is te vinden maar wel bij leermeesters. Zij zijn de ‘dragers’ van praktijkkennis. Ervaringen en inzichten, opgedaan tijdens de beroepsuitoefening vormen het kenniskapitaal van een beroep of een discipline. We zouden hier ook het onderscheid tussen ‘boekenwijsheid’ en ‘praktische wijsheid’ kunnen maken. Boekenwijsheid leer je door te studeren, maar praktisch wijs word je door te oefenen. De educatieve interactie tussen ervaren beroepsbehoefenaren en lerende toekomstige beroepsbeoefenaren verdient volgens Terpstra dan ook een plek in de opleiding. Boekenwijsheid en praktische wijsheid zijn immers niet inwisselbaar.

Om te weten te komen hoe belangrijk de rol van een leermeester is interviewde Terpstra voor haar boek een aantal beroepsbeoefenaren. Ze vroeg hen naar hun ervaringen met leermeesters. Waarom zij de ene leraar wel en de andere niet een leermeester noemen en of ze onderscheid maken tussen ‘voorbeeld’ en ‘leermeester’. Tenslotte kregen ze nog de vraag voorgelegd welke kenmerken beiden hebben. Geïnterviewd zijn een meubelmaker, filosoof, musicus, dokter, striptekenaar, acteur, restaurateur, kok en ethicus.

Hoe kun je van anderen iets leren dat niet of moeilijk verwoord kan worden? Door te laten zien, aldus de door Terpstra geciteerde filosoof Michael Polanyi (1891-1976). Polanyi introduceerde het begrip tacit knowing, een weten dat je niet ten volle kunt verwoorden. Hij heeft ook gezegd dat “every profession, even the most intellectual one, has a craft side”. Ieder vak heeft een ambachtelijke zijde. Want voor het uitoefenen van een vak heb je vaardigheden nodig. Of het nu gaat om meubelmakers dichters, dokters of boeren, fietsenmakers, leraren, stukadoors of vrachtwagenchauffeurs, vioolbouwers, politici of wetenschappers. En op die ambachtelijke zijde krijg je alleen greep als je met beide benen in de praktijk staat en oefent, veel oefent. Door oefenen leer je ‘weten’ hoe je iets moet aanpakken, ‘weten’ hoe je hoofd- en bijzaken moet onderscheiden, ‘weten’ hoe je informatie moet ordenen, indrukken betekenis moet geven, ‘weten’ wat het betekent iets te doen of juist te laten. Het gaat steeds om een vorm van ‘weten’ die je niet ten volle kunt verwoorden. Dit ‘weten’ behoort tot je domein van tacit knowing. “We weten meer dan we kunnen vertellen”, aldus Polanyi.

De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.C.) adviseerde mensen met ervaring tot voorbeeld te nemen en van hen te leren door te observeren. Hij zei: Zoek een wijs en goed mens wiens houding levenslessen in zich draagt. Verblijf een tijd in zijn buurt. Observeren en luisteren zijn essentiële leerbronnen.
Zoek de educatieve interactie met ervaren beroepsbeoefenaren is het advies van Polany. Observeer, luister, stel vragen. Hij gaat nog een stap verder. In zijn ogen hebben ervaren beroepsbeoefenaren zelfs de morele plicht lerenden veelvuldig bij zich in de buurt te halen om hen te laten ‘af’kijken en ‘af’luisteren, en met hen van gedachten te wisselen.

Dit boek is een warm pleidooi voor onderwijs van mens tot mens. “We willen meetbare feiten”, schrijft Terpstra, “maten en getallen. Niet het tastende en zoekende van de taal, waarmee je probeert te overreden en te overtuigen. Als je er goed over nadenkt, zitten we gevangen in de wonderlijke illusie dat meer feitenkennis ook meer inzichten oplevert. T.S. Eliott zei het al in zijn gedicht Choruses from The Rock: Where is the wisdom we have lost in knowledge? Where is de knowledge we have lost in information?”

Tineke Terpstra hield zich vele jaren bezig met beleid in de gezondheidszorg. Zij was fractiemedewerker van D66 in de Tweede Kamer (1980–1986) en secretaris bij de Gezondheidsraad (tot 2002). Zij promoveerde in 2008 op een onderzoek naar voorbeelden en leermeesters in twee medische disciplines aan de Universiteit van Amsterdam. (Gezel bij moderne meesters).
Terpstra’s boek is een essay in drie delen waarin de auteur haar denklijnen over leren door observen in gespreksvorm ontwikkelt.

Mal of meester - Aantekeningen bij competentiegericht opleiden, door Tineke Terpstra, Amsterdam University Press, 232 p., geïll., 2017, € 19,95

Voorbij het meetbare

omslag voorbij het meetbare“We meten alles op het werk, behalve wat echt telt. Cijfers - over inkomsten, uitgaven, productiviteit, betrokkenheid, personeelsverloop - zijn geruststellend en creëren een illusie van controle. Maar in het geval van een groot succes of een grote mislukking wijzen alle vingers, van de CEO tot aan de schoonmaker, dezelfde kant op: de cultuur. Cultuur, dat onmeetbare en soms ogenschijnlijk onbegrijpelijke begrip, is uitgegroeid tot het geheime recept van organisaties - dat wat het verschil maakt, maar waarvan niemand de ingrediënten kent”.
De Amerikaanse onderneemster Margaret Heffernan begint haar boek Voorbij het meetbare. De grote impact van kleine veranderingen met uitleggen wat er bedoeld wordt met een organisatie- of bedrijfscultuur: de manier waarop men in een bedrijf denkt en waarneemt, met elkaar spreekt en naar elkaar luistert.

Volgens Heffernan hebben we geen miljoenen kostend businessplan nodig of een lange termijn van voorbereiding voordat er veranderingen kunnen worden aangebracht. In Voorbij het meetbare houdt zij een pleidooi voor juist het tegenovergestelde van radicale transformatie en groots opgezette plannen. Haar ervaring is dat kleine stappen - die iedereen kan nemen - tot een nieuwe bedrijfscultuur kunnen leiden. Kleine veranderingen hebben grote invloed.
Met kleine veranderingen worden bedoeld: luisteren, vragen stellen, informatie delen. Ze roepen reacties op die op hun beurt weer invloed hebben en een systeem kunnen veranderen.
Niet vrijuit spreken, geen lastige vragen stellen of zorgen delen kan fatale gevolgen hebben zoals Heffernan illustreert aan de hand van een voorbeeld uit de luchtvaart: de crash van een vliegtuig van British European Airways in 1972 die werd veroorzaakt door mankementen die bij veel mensen al langer bekend maar nooit hardop benoemd waren. Toch bracht de ramp een nieuwe manier van samenwerken voort, gebaseerd op het creëren van vertrouwen en het delen van informatie en ideeën. Een cultuuromslag in de burgerluchtvaart was het gevolg. In plaats van geheimhouding kwam er openheid. In plaats van fouten toedekken werden ze nu onderkend en breed toegegeven, zonder gevoelens van schaamte of schuld zodat er lering uit getrokken kon worden.
De nieuwe manier van werken kreeg de naam rechtvaardige cultuur (just culture).

Tegenwoordig is in elke werkomgeving behoefte aan een rechtvaardige cultuur - niet alleen om ongelukken te voorkomen, maar ook om uit elke werknemer het beste te halen. We kunnen het ons niet veroorloven, aldus Heffernan in haar inleiding, sommige mensen te laten floreren, terwijl anderen er passief, gedemotiveerd of ontgoocheld bij zitten. Organisaties herbergen een rijke bron aan menselijk kapitaal. In een rechtvaardige cultuur worden de vindingrijkheid en de intelligentie van ieder individu ten volle benut. Verbeelding wordt beloond en oprechtheid op waarde geschat.
Zo’n cultuur is democratisch en behoeft een ruimhartige en bescheiden mentaliteit. Dus niet op informatie zitten en je kaarten tegen de borst houden omdat je daar macht aan ontleent. Nee informatie dient gedeeld en verspreid om anderen te inspireren en te stimuleren. In een rechtvaardige cultuur telt iedere persoon mee.
“Ik weet niet hoeveel ondernemers ik heb gesproken die - achteraf - een geweldig idee hadden, maar dat niet hadden durven delen, uit angst om uit de pas te lopen of om al te dwaas over te komen. De passiviteit die zich in deze stilte uit, eist een zekere tol, niet alleen als mensen het gevoel hebben dat ze anderen niet kunnen waarschuwen voor problemen, maar ook als ze het gevoel hebben nieuwe ideeën niet te kunnen toetsen en verkennen. In die stilte gaan veel kansen verloren”.

Heffernan heeft op haar reizen ervaren dat conflictmijdend gedrag en het verlangen om te behagen universeel zijn en onze energie en moed uithollen: “Als ik over deze verspeelde kansen praat met mensen, zeggen ze allemaal hetzelfde: het ligt aan de cultuur. Cultuur is uitgegroeid tot alibi, tot zondebok voor alles wat er mis is. De vraag is wie dit probleem kan oplossen. Wij allemaal. Dit boek richt zich dan ook op iedereen die, van CEO tot schoonmaker, gezamenlijk of individueel een betere werkomgeving nastreeft”.

Wat dit boek niet biedt, vervolgt Heffernan “is een panklaar recept voor snelle transformatie, handzame tips en trucs die zo populair zijn bij motivatiesprekers en bedrijfsgoeroes. Liever hou ik mij bezig met denken: een nogal alledaags, laagtechnologisch concept dat gemakkelijk vergeten en stelselmatig onderschat wordt. Maar wie denkt moet zijn bezigheden staken. En wie zijn gedachten de vrije loop laat, onttrekt zich aan clichés, aan jargon, aan wijshed achteraf. Op die manier kom je erachter wat je gelooft, wie je bent en wat je wilt of moet zeggen. Wanneer je de tijd neemt om na te denken, hervind je de moed, het verstand, het mededogen, de verbeelding, de vreugde, de frustratie, de ontdekking en de toewijding die werk kan opwekken. Kortom, al die zaken op het werk die tellen, ook al zijn ze voorbij ‘het meetbare’.”

Voorbij het meetbare. De grote impact van kleine veranderingen, door Margaret Heffernan, serie TED-boeken, Amsterdam University Press, geïll., 120 p., 2016, € 14,95

 

De tango van wethouder en ambtenaar

omslag de tango van wethouder en ambtenaarDe tango van wethouder en ambtenaar is op verzoek van de Wethoudersvereniging tot stand gekomen. Het idee is ontstaan na het lezen van het boek Ik en mijn wethouder. Daarin werden vanuit het perspectief van ambtenaren archetypische omschrijvingen van wethouders gegeven. De Wethoudersvereniging heeft bij wijze van pendant op die publicatie aangedrongen op deze uitgave die tot stand is gekomen in samenwerking met het programma Lokale Democratie in Beweging. Het programma beoogt onder meer het politiek-ambtelijke samenspel te versterken. Het is voor (lokale) overheden van groot belang om samen mee te bewegen met de veranderende samenleving.

Als men een beeld wil krijgen hoe een wethouder zijn vak beleeft en welke positie hij of zij kiest in de samenleving, kun je vragen: hoe waren uw eerste honderd dagen als wethouder? De wondere wereld van het gemeentebestuur die dan wordt beschreven, maakt veel duidelijk over de complexiteit van het vak. Van agendabeheer tot het nemen van besluiten met grote financiële of maatschappelijke consequenties. Alles komt langs in deze eerste fase van het wethouderschap.

De wethouder opereert als een danser(es) op de dansvloer met diverse danskoppels. Soms beweeg je mee, soms bots je, soms wissel je van danspartner, je zet je koers uit en danst met passie! De wethouder van vandaag moet zich kunnen bewegen in een complex kachtenveld. Daarbij is de samenwerking met de ambtelijke organisatie van cruciaal belang voor de wethouder.
Toch zien we in de praktijk dat de wethouder en ambtenaar niet atijd in de maat dansen en elkaar op de tenen trappen. Uiteindelijk is het de opgave om het samenspel tussen de wethouder en de ambtenaren succesvol te laten zijn.

De beste leerschool voor een wethouder is de praktijkervaring. Er is geen opleiding om wethouder te worden. Er is geen handleiding ‘hoe communiceer ik met ambtenaren?’. Wat wel volop aanwezig is, zijn de ervaringen van (oud) wethouders.
Voor dit boek hebben auteurs Jur de Haan en Erik van Venegië in de zomer van 2016 interviews gehouden met 32 wethouders van alle politieke kleuren, afkomstig uit kleine en grote gemeenten verspreid over het land. Aanvullende informatie hebben ze gehaald uit een gesprek met het bestuur van de Wethoudersvereniging en uit twee intervisiebijeenkomsten, in Breda en Leeuwarden, met bestuurders en ambtenaren.

De tango van wethouder en ambtenaren komt op een goed moment. Gemeenten krijgen meer taken, de netwerksamenleving rukt op, de wethouder is kwetsbaarder, ambtenaren moeten overleven in reorganisaties. De tijdgeest vraagt om nieuwe wethouders en om nieuwe ambtenaren.
“De buitenwereld verandert sneller dan de gemeente kan bijbenen”, zegt een wethouder. De veranderingen schuren met de traditie, de zekerheden en de procedures waar ambtenaren mee zijn opgegroeid en opgevoed, compleet met de trucs die elke bureaucratie kenmerkt. De wethouders vertellen hoe ze hiermee omgaan en hoe ze hun nieuwe rol vinden, samen met hun - ook al -zoekende ambtenaren. Zo ontstaat het beeld van een nieuw samenspel.

Het eerste hoofdstuk is getiteld: De eenzame bestuurder op de eerste dag: “Daar zit ze dan, de nieuwe wethouder. Ze heeft een bureau, een computer en een secretaresse. Die vraagt: ‘Moet ik u zeggen?’
En ze heeft een volle agenda. Om 10 uur staat het eerste stafoverleg gepland. Om kwart voor tien komt een afdelingshoofd binnen. Hij legt een dikke ordner met beleidsnota’s op haar bureau. ‘Hier staat ons hele beleid in’, zegt de ambtenaar. ‘Moet ik dat allemaal lezen?’ vraagt de wethouder. ‘Nou, dat hoeft niet. Maar het is wel goed om het te hebben’, zegt de ambtenaar. Even later arriveren de andere ambtenaren. Tijdens het stafoverleg kijt de wethouder als een dood vogeltje. Er komt zo veel op haar af. Ze is overdonderd. Om twaalf uur steekt de secretaresse haar hoofd om de deur. ‘Wat wilt u lunchen?’ De wethouder hoort zichzelf zeggen: ‘Doe maar wat’.

Een wethouder typeerde haar werk eens als “de meest fantastische hondenbaan. De lol in mijn werk straal ik uit. Dat werkt aanstekelijk op mijn ambtenaren. Dan lopen ze harder voor mij”. Een vak om trots op te zijn, staat er dan ook op de site van de Wethoudersvereniging.

De tango van wethouder en ambtenaar, door Jur de Haan en Erik van Venetië, uitgave van de Wethoudersvereniging, 87 p., 2016, € 10,-. Bestellen door sturen van e-mail naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. met vermelding van Tango.

 

Joomla webdesign: Zoccolo Concepting & Design