verbroken verbindingen in welzijn en zorg

Dit is deel 2 van  De sociaal werker als sociaal ingenieur dankzij de ongekende kracht van beroepstrots.

Dit is het vervolg op deel 1:  Ambachtelijk werk en productiewerk, zoals gisteren geplaatst op dit blog.

Binnenkort volgt deel 3 (zit nog ‘in de pen’).

VERBROKEN VERBINDINGEN IN WELZIJN EN ZORG

In deel 1 heb ik de structuur; de hardware van de klassieke organisatie (alle regelvermogen uit het primaire proces) versus die van het nieuwe organiseren  (zoveel mogelijk regelvermogen terug in het primaire proces) beschreven.  Tevens werd gesteld hoe de manier van organiseren in de publieke sector zich de afgelopen 20 jaar precies in omgekeerde richting heeft voltrokken. Als je op dit moment gaat inventariseren in de publieke sector hoe er wordt gewerkt, dat vind je het summum van wat bureaucratie in wezen is: controle en beheersing door protocollen en voorschriften, scheiding van denken en doen, en verregaande uiteenrafeling van taken. Laten we eens kijken wat dat de publieke sector heeft opgeleverd. En dan ga ik specifiek kijken naar het domein van welzijn en geestelijke gezondheidszorg. Ik zal enige ontwikkelingen gaan beschrijven, constateringen doen, over de stand van zaken in GGz en welzijn.

Eerst eens wat cijfers, de gegevens daarvoor komen rechtstreeks uit de oratie die Hans van Ewijk 8 november jl. gehouden heeft bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap ‘Grondslagen van het maatschappelijk werk’ aan de Universiteit van Humanistiek Utrecht. (1)

“De afgelopen 10 jaar zijn de geestelijke gezondheidszorg, de jeugdzorg, de scholen voor kinderen met ernstige gedragsproblemen, de Wajongregeling voor jong gehandicapten en de zorg voor jongeren met een licht verstandelijke handicap met 10 % per jaar toegenomen. Dat betekent een verdubbeling in 10 jaar tijd. Opvallend is ook dat Nederland een institutieland bij uitstek is. We staan in Europa aan de top wat betreft hospitaalbedden in de geestelijke gezondheidszorg en kinderen in het speciaal onderwijs. In Nederland zijn meer mensen met een verstandelijke handicap in instituties geplaatst dan in UK en Scandinavië samen. We hebben te maken met een dramatische groei in dure gespecialiseerde hulpverlening.”

In Nederland is de situatie zo, dat 1 op de 20 jongeren op zijn/haar 17e te horen krijgt dat hij/zij levenslang gehandicapt wordt verklaard en een Wajonguitkering krijgt… Een op de 20 jonge mensen wordt op z’n 18e weggezet in een uitkeringssituatie en krijgt de boodschap dat hij niet volwaardig mee kan doen in onze maatschappij...

Van Ewijk zegt verder: “De stoornisbenadering voert de boventoon. Deze wordt gedreven door de neiging om in mensen stoornissen, ziektes en handicaps te identificeren, te diagnosticeren en te behandelen, bij voorkeur via evidence based protocollen. De gediagnosticeerde stoornis is leidend in het conceptualiseren van wat er aan de hand is en wat gedaan moet worden. Vaak nemen degenen die gediagnosticeerd zijn het etiket over en verenigen zich in organisaties van chronisch zieken, patiënten en gehandicapten in al hun rijkheid en verscheidenheid. En zo ontstaat ook hier een configuratie van belangengroepen, bestuurlijke afdelingen en specifieke regelgeving die de afzonderlijke handicaps en stoornissen uitvergroten tot eigen beleidsterreinen, eigen cliëntenorganisaties en deur aan deur collectes. De remedie concentreert zich op behandeling van stoornissen en leidt tot overconcentratie op de stoornis zelf en daarmee tot reductie, specialisering en institutionalisering. We kunnen zelf spreken van een driedubbele reductie of ontkoppeling. We halen het individu uit zijn directe omgeving naar de behandelkamer of de institutie, we isoleren in de persoon de stoornis en behandelen de stoornis met een geprotocoliseerde behandeling waarbij de strakke methodiek de interactie tussen professional en cliënt bepaalt.”

En tot slot nog een passage waarin hij een treffende beschrijving geeft van de cultuur in de klassieke organisatiestructuur van zorg-en welzijnsland.

“Het succes van de vooruitgangsstaat lag voor een groot deel in het vermogen van de kennisindustrie om arbeidsprocessen op te splitsen in afzonderlijke handelingen en die afzonderlijke handelingen te verbijzonderen en effectiever te maken. Zo ontstonden tal van deeldisciplines waar geleerden heel veel over heel weinig wisten en juist deze geleerden kregen het meeste aanzien. De huisarts boog voor de specialist, de specialist boog voor de specialist in organen, en de orgaanspecialist voor de specialist van een deel van het orgaan, en allen bogen voor hen die alles wisten van cellen en genen. Daaromheen hebben we een fijnmazig net van beroepen, voorzieningen en regelgeving ontwikkeld.  We hebben uitvoering, diagnose en management uit elkaar getrokken en de laatste decennia is het sociaal werk en de geestelijke gezondheidszorg vergaand opgedeeld in deelproducten, producten en projecten die per stuk afrekenbaar en planbaar zijn.”

Je kunt rustig stellen dat er op dit moment met rasse sprongen  een bewustzijn aan het ontwaken is, niet alleen in alle geledingen van zorg en welzijn, maar ook daarbuiten zoals in politiek, dat we de verkeerde weg zijn ingeslagen, en dat het de hoogste tijd is voor een herbezinning en verandering van koers.

We kunnen de zelfde constatering maken als destijds Volvo-president Gyllehammer maakte ten aanzien van zijn professionals: heel veel goed opgeleide werknemers zijn niet langer bereid om monotoon en repeterend werk te verrichten. En let op, we hebben het niet over auto’s, maar over mensen die met mensen werken. Mensen die in aanvang voor deze professie kozen vanuit een betrokkenheid iets te betekenen voor een ander mens.

Het verloop, verzuim en burnout is giga-groot in welzijn en zorg. Zorgverzekeraar Menzis heeft vorig jaar een onderzoek verricht onder mensen die in de zorg werken, en de uitkomst daarvan was dat 60% serieus overweegt de zorg te verlaten. (2)  De belangrijkste reden daarvan is professionals zich niet meer herkennen, zich niet meer kunnen verbinden in de bureaucratische cultuur zoals ondertussen uitvoerig geschetst. Ze moeten te vaak handelingen verrichten, besluiten nemen, die rechtlijnig ingaan tegen hun oprechte gevoel van wat hun eigen vakmanschap en professionaliteit inhoudt, ofwel; men lijdt massaal aan beroepszeer.

Dat het niet overdreven is te stellen dat het bewustzijn hierover breed aan het ontwaken is moge duidelijk zijn aan de hand van het advies dat de Raad van State voorjaar 2010 uitbracht aan de regering. Hierin staat letterlijk:

“De overheid streeft, op ideologische gronden, al jaren naar meer marktwerking, verzelfstandiging, privatisering of hoe dat ook maar wordt genoemd. Zij heeft door het besturen op afstand minder deskundige ambtenaren en komt steeds losser te staan van de werkers in het veld. De verloren gegane directe relatie wordt gecompenseerd door het invoeren van regels en controlemechanismen die ervoor moeten zorgen dat er beheersing kan blijven plaatsvinden. Professionals worden daardoor omgeven door een papieren werkelijkheid en gestuurd en gepest door managers die zich als overheidscontroleurs gedragen en die de rapporten en de verantwoordingen verzamelen die de professionals dagelijks moeten maken. De uren die nodig zijn om dit hele bureaucratische papieren bouwwerk in stand te houden gaat ten koste van veel tijd en geld dat veel beter zou kunnen worden gebruikt voor het werk zelf dat in de samenleving moet gebeuren. De bemoeienis tast bovendien de werkers aan in hun beroepseer, hetgeen leidt tot frustraties en het verlies aan arbeidsvreugde.” (3)

De Transitiebeweging Mensenzorg spreekt over “beheerszieke institutionele structuren” en voegt daar nog het volgende perspectief aan toe:
“Dit starre management en gebrek aan ondernemerschap is echter lang niet alleen te wijten aan zorgorganisaties en hun managers. Zorgaanbieders moeten opereren binnen een zorgsysteem met een structuur en cultuur die een flexibelere, rijkere zorgorganisatie hinderen.
De zorg kent – ook in vergelijking met andere collectieve sectoren – een waar woud van financieringsregelingen en andere regels. Hierdoor staan er tussen de gefragmenteerde onderdelen van de zorg zware financiële schotten. Dit komt doordat institutionele structuren en partijen te veel situaties op een microniveau proberen te controleren. Men probeert op landelijk niveau te veel de details van de zorg uit te denken en te standaardiseren, terwijl men juist het gewenste lange termijn-perspectief niet biedt. Noch de overheid, noch andere landelijk opererende actoren bieden een krachtige en inspirerende visie waar onze zorg heen moet.” (4)

We zitten in Welzijn en Zorg met een systeem opgescheept, waarin de verbindingen op alle mogelijke manieren verbroken zijn. Verbindingen tussen lichaam en geest; tussen management en werkvloer; tussen financiering en zorginhoud; tussen gezondheid en andere maatschappelijke domeinen; en tussen zorgverlener en verzorgde.

1. 2010. Maatschappelijk werk in een sociaal gevoelige tijd. Hans van Ewijk. Oratie bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap ‘Grondslagen van het maatschappelijk werk’ aan de Universiteit van Humanistiek. Uitgeverij SWP Amsterdam. https://www.canonsociaalwerk.eu/1994_wetenschap_leerstoel/2010%20Hans%20van%20Ewijk%20Maatschappelijk%20werk%20in%20een%20sociaal%20gevoelige%20tijd.pdf

2. 2010. Grote leegloop dreigt in de zorg. De Nationale Enquête Werken in de zorg, een onderzoek uitgevoerd door zorgverzekeraar Menzis. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/grote-leegloop-dreigt-in-de-zorg~bee0ec62/

3. 2010. De zorg over professionals. Herman Tjeenk Willink, voorzitter van de Raad van State. https://beroepseer.nl/blogs/statement-raad-van-state-over-beroepseer/

4. 2009. Mensenzorg, een transitiebeweging. https://transitiepraktijk.nl/files/brochure%20mensenzorg.pdf

 

Nieuwsbrief ontvangen?

Wij houden u graag op de hoogte van actuele ontwikkelingen binnen Stichting Beroepseer.  Wilt u onze nieuwsbrief ontvangen? Dan kunt u zich hieronder aanmelden.

Contact

Adres:
Godfried Bomansstraat 8, Unit 15
4103 WR Culemborg

Email:
info@beroepseer.nl

© Stichting beroepseer