<?xml version="1.0"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="/rss.xsl" version="1.0"?>
<rss version="2.0">
	<channel>
	<title>Beroepseer blog</title>
	<link>http://beroepseer.nl/</link>
	<description>Werken met moed en vertrouwen</description>
	<copyright>Copyright 2010</copyright>
		<item>
  	<title>Een moderne nachtmerrie</title>
  	<description>
  	Er was eens… een garagehouder waar ik in 2005 een auto kocht. In gesprek komend bekende ik dat ik op wat te grote voet leefde; ik moest dringend mijn uitgaven in evenwicht brengen met mijn inkomsten. Om mij daarbij te helpen, bood de garagehouder mij aan het onderhoud aan mijn auto te gaan doen – op voorwaarde dat ik al het onderhoudsgeld voor elk jaar op 1 januari aan hem overmaakte. Hij stelde via het garantieboekje toch al vast wanneer dat periodiek onderhoud nodig was, dus het klonk aantrekkelijk. Zeker ook, omdat ik dan het onderhoudsgeld niet zelf aan andere dingen kon spenderen. Er werden wat werkafspraken op papier gezet over deze nieuwe klant-leverancier verhouding en we gingen aan de slag: ik lekker autorijden en hij lekker sleutelen.

In 2006 liep dat allemaal redelijk, al was de auto soms in onderhoud terwijl ik toch echt met de kinderen naar de Efteling wilde. De garagehouder stelde toen ook voor dat ik mijn grote wekelijkse huishoudelijke inkopen via hem ging doen, wanneer ik mijn huishoudgeld aan hem overmaakte. Immers, hij kon groot inkopen en dat schaalvoordeel leverde ons allemaal wat op. Dat bleek allemaal te werken, hoewel het steeds langer duurde voor ik mijn auto uit onderhoud terug kreeg. En soms kreeg ik schuurpapier dat moest doorgaan voor wc-papier, maar dat was wel de goedkoopste aanbieding geweest, uit Roemenië – een eenmalige partij. En de flexibiliteit om met mijn uitgaven te variëren wanneer de thuissituatie dat vorderde, bleek ook steeds minder te worden. Er waren soms wat onderlinge irritaties maar die werden door het hoofdkantoor gesust.

In februari 2010 kregen we echter echte ruzie. Mijn auto stond al weken in onderhoud en ik had wel een wintersportvakantie geboekt. Er waren diverse onderdelen nodig en het magazijn was leeg; de garage had de benodigde onderdelen niet meer op voorraad. De onderdelen werden ook niet besteld want het geld voor onderhoud bleek al op, voor geheel 2010. De garage bleek al jarenlang slecht van betalen, de leveranciers wilden niet op de pof gaan leveren. Mijn geld was blijkbaar besteed aan van alles, behalve het onderhoud van mijn auto. Toen ik de werkafsprakenlijst erbij pakte op zoek naar boeteclausules bleken die niet te bestaan. Ik had als autogebruiker gewoon pech en ik bleek als ‘klant’ helemaal geen klant. En ik had zelf geen onderhoudsgeld meer, dus de garagehouder onder druk zetten door naar een concurrent te gaan was er ook niet bij.
Maar wanneer ik hem wat extra geld gaf, bijvoorbeeld mijn vakantiegeld zou overmaken, zou hij de reservedelen alsnog kunnen aanschaffen en mijn auto weer rijklaar maken. En dan kon mijn geplande wintersportvakantie toch nog doorgaan.

Het geld voor de boodschappen had mijn garagehouder er ook al doorheen gejaagd. Dus voor toiletpapier en schoonmaakartikelen was er voor de rest van het jaar ook geen aanvoer meer te verwachten. Gelukkig had ik nog ergens wat rolletjes toiletpapier staan, maar of ik daarmee april zou halen?

Toen ik als Koning Klant toch redelijk opgesard vroeg hoe dat nu allemaal kon gebeuren, vertelde de garagehouder dat het natuurlijk niet aan hem lag. Het hoofdkantoor had wat andere prioriteiten gesteld waarvoor mijn geld was gebruikt. Ook had het hoofdkantoor wat meer overhead gecreëerd en beleidsmakers aangesteld, waardoor er 26% meer bureaucratie was ontstaan. En de uitrol van het nieuwe ICT-systeem duurde allemaal wat langer en kostte ook wat meer. De aandeelhouders kregen zo wel de illusie dat de uitvoering beter in control raakte, maar dat was op hoofdlijnen – het hoofdkantoor maakte zich natuurlijk geen zorgen om míjn auto.

Badend in het zweet werd ik wakker, ik stond op, deed de gordijnen open en stelde met een glimlach vast dat mijn auto gewoon op de oprit stond. Ik werk immers bij Defensie, waar dit alles nooit kan gebeuren. 
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/187</link><pubDate>di,  09  mrt  2010  08:40:53  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>Herstel van vertrouwen</title>
  	<description>
  	In de (semi-) publieke dienstverlening werken veel vakmensen dagelijks met een groot verantwoordelijkheids gevoel en met sterke maatschappelijke betrokkenheid. Vaak hebben zij ook veel kennis van de lokale situatie en zijn zij in staat en bereid om goed samen te werken. Maar door de politiek voelen zij zich al jaren niet gezien of gehoord. Het debat gaat namelijk alleen over meer productiviteit, (minder) geld en over bureaucratische controle systemen. In dat contact tussen politiek en werkveld wordt er slecht naar elkaar geluisterd, is vaak sprake van boosheid en teleurstelling en groeit het wantrouwen over en weer.  Als politici en vakmensen weer regelmatig met elkaar in dialoog zouden gaan over de échte verhalen van de vakmensen, namelijk over de zin en betekenis van hun werk. Dan geeft dat erkenning aan vakmensen en is dat tegelijk een basis voor herstel van vertrouwen. Ook zou dan blijken hoe groot het potentieel is aan productiviteit van de werkvloer om zelf met de burgers problemen op te lossen, goede zorg te verlenen, goed onderwijs te geven en voor de veiligheid te zorgen. Daarvoor hebben deze vakmensen wel het vertrouwen nodig van de politiek en meer eigen regelruimte nodig van hun bazen. In het deze week verschenen rapport Vertrouwen op Democratie schrijft de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) over de kloof en het wantrouwen dat is ontstaan tussen burgers en politiek. www.rfv.nl Drie dagen na het verschijnen van dit rapport viel het vierde  kabinet Balkenende op 20 februari 2010 omdat het de politiek ook ontbrak aan onderling vertrouwen om complexe vraagstukken samen op te lossen. Herstel van vertrouwen moet in deze tijd van grote verandering blijkbaar vanuit de samenleving komen en daarmee liggen er nieuwe kansen om de dialoog tussen de werkers uit de publieke sector en de politici op een andere meer zinvolle wijze vorm en inhoud te geven. Mensen uit het netwerk van de stichting Beroepseer die naar eer en geweten hun werk doen kunnen hier actief aan bijdragen.  


  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/186</link><pubDate>zo,  21  feb  2010  16:59:41  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>Een les in Beroepseer: Zonder wrijving geen glans</title>
  	<description>
  	(met toestemming overgenomen van www.nederlandsepolitiebond.nl, 4 februari 2010)

Methode  Beuvink: 'Zonder wrijving geen glans' 
Er zijn twee gouden regels die elke rechtgeaarde wijkagent volgens Bennie Beuvink altijd in ere moet houden: 'zelf waarnemen welke problemen er spelen' en 'zonder afstemming geen handhaving'. 

'Vroeger wisten wijkagenten heel goed wat er op wijkniveau speelde en wat ze moesten doen. Hun zelfredzaamheid was groter en daardoor kwam ze beter en sneller tot handelen. De huidige trend is 'professionaliseren': briefings houden, organisatiemodellen toepassen, quota's vaststellen en vooral alles meten. Dat leidt tot een uniformering die de wijkagent in feite beperkt in zijn mogelijkheden om namens de politieorganisatie de sturende rol te spelen die in het referentiekader gebiedsgebonden politiewerk beschreven staat. Om die rol naar behoren te kunnen invullen moet je juist de ruimte hebben om te improviseren en te handelen naar bevind van zaken.'

Zelf vaststellen wat er speelt
Voor het optimaal functioneren van een wijkagent is het volgens Beuvink van cruciaal belang dat hij zich door 'zintuigelijke waarneming' op de hoogte stelt van de situatie in zijn wijk – keer op keer op keer. 'Feiten moeten de basis zijn van het doen en laten van een wijkagent – en dus niet veronderstellingen, gedachten of theoretische modellen. Een wijkagent moet ook echt willen weten wat er speelt. Stel: je houdt op een bepaalde plek of tijd een spreekuur en er komt niemand opdagen. Dan moet je niet zeggen: er is blijkbaar geen behoefte aan een spreekuur. Nee, dan ga je dat spreekuur houden op een andere plek of tijd. Dan zet je je stoeltje wat verderop – net zoals je aan de waterkant doet als de vissen niet willen bijten.' 

Samen handhaven
De wijkagent deelt zijn gegevens en conclusies met de wijkbewoners en met de gemeente, woningbouwcorporaties, winkeliersverenigingen, scholen, het Openbaar Ministerie, vrijwilligersorganisaties et cetera. 'Samen weten is een noodzakelijke voorwaarde voor samen werken en dat is weer een noodzakelijke voorwaarde voor samen handhaven,' stelt Bennie Beuvink vol overtuiging. 'Dat is de harde les die we in Nederland aan het leren zijn op dit moment: dat het heel veel tijd, energie en geld kost om de veiligheid van de bevolking te waarborgen zonder je activiteiten af te stemmen met die bevolking. Eenzijdig van bovenaf handhaving organiseren– dat leidt tot rare toestanden! Zoveel geld en zoveel regels en toch gaat er nog van alles mis. Ken je dat grapje: de misdaad is al georganiseerd, nu de politie nog?'

Groeiproces 
De werkwijze die Bennie Beuvink propageert heeft hij ontwikkeld in de periode van 1997 tot 2009, toen hij wijkagent was in de Enschedese wijk Velve-Lindenhof. Toen hij daar kwam werken was de verhouding tussen de bewoners en de politie zwaar verziekt. Door zijn persoonlijke aanpak – het willens en wetens betrekken van de mensen bij zijn politiewerk – wist hij het vertrouwen weer volledig terug te winnen. Professor Gabriël van den Brink, lector Gemeenschappelijk Veiligheidskunde aan de Politie Academie, was in 2008 na afloop van een bezoek aan Velve-Lindenhof laaiend enthousiast. 'Zo zou het elders ook moeten,' 
Beuvink benadrukt dat zijn succes in Enschede een groeiproces is geweest van acht à negen jaar en dat hij in het begin een hoop weerstand had te overwinnen. 'Als ik de wijk binnenkwam, was dat binnen een paar minuten bij iedereen bekend. Via bakkies en telefoons ging er dan een waarschuwing rond. Deuren gingen dicht. Bewoners zwegen. Dat was dus roeien tegen de stroom op – of verzuipen. Maar ja, zoals het spreekwoord zegt: zonder wrijving geen glans.'

Dienstbaar 
'Ik heb de buurtbewoners laten zien dat de politie dienstbaar en betrokken is, dat ik mijn werk samen met hen wilde doen. De eerste anderhalf jaar ben ik heel doelbewust bezig geweest me persoonlijk aan iedereen voor te stellen. Tegelijkertijd heb ik de buurtbewoners 'mit in Verantwortung genommen'. Toen er in de wijk vandalisten opdoken heb ik iedereen aangespoord vooral foto's te maken als ze het zagen gebeuren. Die foto's heb ik vervolgens ook gebruikt bij het verhoor. Toen er klachten binnenkwamen over overlast in het park, heb ik de wijkraad gevraagd die voor de politie te inventariseren. Toen het sluiten van een school voor grote onrust in de wijk dreigde te zorgen heb ik informatie verspreid over de inspraakmogelijkheden, zodat men desgewenst kon proberen om de beslissing alsnog te beïnvloeden. En dat is ook gebeurd.'

Goed luisteren 
'Als je goed luistert, neem je veel in je op. Tijd wordt dan relatief. Als een burger op het politiebureau komt, moet de eerste persoon met wie hij contact heeft goed luisteren naar wat hij precies wil, anders gaat het niet goed. Ik vergelijk het wel eens met een oud vrouwtje dat op de stoeprand staat en door jou, behulpzaam als je bent, doortastend naar de overkant wordt geholpen. Daar aangekomen krijg je dan van haar te horen dat ze helemaal niet naar de overkant wilde.'

Samenvattend stelt deze doorgewinterde wijkagent: 'Om hun werk goed te kunnen doen moeten wijkagenten hun tijd voornamelijk doorbrengen in hun wijk en daar zichtbaar en actief bezig zijn met dingen die burgers kunnen plaatsen. Helaas zie je ze in toenemende mate binnen zitten om hun administratie op orde te brengen. Aansturing wordt dan afleiding – afleiding van het échte werk. 

  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/185</link><pubDate>do,  11  feb  2010  17:07:13  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>…. gestuurde zorg, laten we ons sturen??</title>
  	<description>
  	Onderstaand artikel stamt uit 2008 en heb ik geschreven in de &quot;WDH Berichten&quot;, een regionaal nascholingskrantje. Maar het is nu nog steeds erg actueel, dus breng ik het nogeens onder de aandacht!!
--
Met een stevig bak koffie installeer ik me toch maar even achter de PC om uit de grote verzameling notities en gedachten een stukje voor de WDH berichten te baren. Hoopvol had ik nog even het Medisch Contact (19 febr 2008) van deze week erbij gepakt, op de voorpagina stond “Nieuwerwets bpijblijven” en dat zou vast iets heel moois kunnen zijn voor de WDH berichten. Het enige artikel waar deze titel naar verwijst is het verhaal van Frank Bosch over RSS-feeds. Een onderwerp wat voor mij niet nieuw is en waar ik op dit moment heel druk mee ben in om de beschikbare stroom van informatie te kanaliseren tot behapbare stukken. Laten we ons door de e-mail- en RSS-overvloed sturen?
Waar ik over wil schrijven is de moeite die ik ervaar om juist in een wereld waar we zo snel en veelvuldig overspoeld worden met informatie,  de juiste keuzes blijven maken. Overwegingen vanwaar uit we indertijd ons vak gekozen hebben, keuzes die naar je eigen overtuiging belangrijk en van waarde zijn. In hoeverre laten we ons sturen door de financiële prikkels  die dit nieuwe zorgstelsel als verleidelijke  taarten (want het zijn geen snoepjes) voorzet. Ik zeg wel eens tegen mijn patiënten, ‘luisteren en praten betaald niet’, snijden, meten (ecg, spirometrie etc) wel. Toch is naar mijn stellige overtuiging het persoonlijke contact wat gebaseerd is op een gesprek tussen twee mensen de kern van ons vak. Het vertrouwen wat tussen arts en patiënt moet groeien. Het daarmee is het ‘kennen van de patiënt in zijn omgeving’ om het populistisch te zeggen “the unique selling point” van de huisarts. Door de tijd heen bouwen we een relatie op met onze patiënten die van grote waarde is en door patiënten ook erg gewaardeerd wordt. Het komt ons niet altijd even goed uit en vraagt veel tijd met een relatief magere materiële beloning.  De verleiding is groot om onze spreekuurtijd in te gaan korten en meer tijd aan de M&amp;I’s te besteden. Dat is in ieder geval goed voor de omzet, maar wat doet dat op de lange termijn met onze patiënten en het huisartsenvak?
De ‘gehoor-shops’, ‘opticiens met directe verwijzingen naar  oogklinieken’,  ‘internetsites waar direct specialistische hulp wordt aangeboden’ ze schieten als paddenstoelen uit de grond. Wij doen driftig mee en verruimen onze indicaties voor b.v.  ECG’s en preventieve vraaggestuurde controles met een ongebreidelde gretigheid. Er zijn ook goede ontwikkelingen in deze M&amp;I’s, maar we moeten ook dit kritisch en evidence based proberen te doen. In hetzelfde MC van deze week lees ik dat er een onderzoek komt naar verrichtingen van huisartsen. Volgens het Nivel werd in 2006 een bedrag tussen de 81 en 128 miljoen euro gedeclareerd, terwijl de prognose zo’n 50 miljoen was. Er zijn geen goede controle studies en wat erger is, we hebben ook niet goed gedocumenteerd wat het aan andere winst opbrengt anders dan in onze portemonnee. Ik mocht eens aan tafel zitten met een van onze huidige hoogleraren huisartsgeneeskunde en sprak mijn zorg uit over het feit dat de oude driepoot van de huisartsgeneeskunde, ‘levensloop-‘, ‘gezins-‘ en curatieve geneeskunde zo weinig betaalt. Het antwoord wat ik kreeg was dat er zo weinig ‘evidence-based’ over bekend was. Daarin had hij gelijk. Toch zullen velen met mij eens zijn dat ‘het kennen van de patiënt in zijn context’  een bijzonder  en essentieel deel van ons vak is. Naar mijn mening ons “Unique Selling Point”! Wij zijn het die een, vaak volledig geautomatiseerd, medisch dossier hebben. We hebben de mogelijkheid een hele woonomgeving  te onderzoeken en begeleiden. Deze kenmerken moeten we koesteren en bewaken en dat vraagt inspanningen en investeringen. Een SOS dokter of wat dan ook heeft daarop een gigantische achterstand. Misschien moeten er ook wel andere M&amp;I’s bijkomen, b.v. bijwonen van oncologiebesprekingen, bezoek in het ziekenhuis etc. Marketing technisch moeten we daarom op de bres staan, als bv ons consult of visite tarief bedreigd gaat worden, b.v. omdat we overmatig en soms slecht onderbouwd M&amp;I’s declareren. Dat vraagt een kritische houding naar onszelf en de beroepsgroep, willen we dit vak voor de toekomst bewaren. Straks geven sommige apotheekketens bij elke eerste uitgifte van een β-blokker, een online beoordeeld ECG mee, misschien zelfs wel via een RSS-feed op je pocket-pc. Of minder futuristisch; wat te denken als de hospices, in navolging van de UK, de palliatieve zorg ook consultatief thuis gaan verzorgen? De verloskunde zijn we al kwijt, de reizigersadvisering gaat al meer naar gespecialiseerde clinics waar zorgverzekeraars tariefafspraken mee maken.  Waar blijft onze continue zorg….
In hetzelfde Medisch Contact staat in de column van Luc Bonneux een leuk zinnetje: “ Het cholesterol dient enkel om mensen de medische fuik in te lokken”.  Gaat het daarom? Ooit waren wij de poortwachters, die moesten voorkomen dat mensen de medische fuik inzwommen. Willen wij de beheerders zijn van de medische fuiken of de kooikers van een eendenkooi? Zoals Wikipedia schrijft: Een eendenkooi (soms kortweg kooi genoemd) is van oorsprong een plek waar diverse soorten in het wild levende eenden werden gevangen voor consumptie.
 Wat stuurt ons…? Wat is onze overtuiging...? Hopelijk komt er meer onderzoek naar de plaats van en het behoud van dit uitdagende vak.  Dat vraagt meer dan (een tijdelijk) goede honorering, maar een bevechten van het in stand houden van onze krachtige  en unieke positie in de gezondheidszorg. Daarom een belangrijke taak voor goede  (na-)scholing, introspectie en toetsing met een intensieve samenwerking met de 2e lijn, allemaal aspecten waarin de WDH van dienst kan zijn. Dan wordt het een duurzame ´booming business (LHV slogan)´ voor de lange termijn.
Martin Beeres, huisarts
e-mail: beeres@praktijkparklaan.nl 
Februari 2008

  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/184</link><pubDate>vr,  05  feb  2010  23:05:35  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>Maak de professional meer baas</title>
  	<description>
  	De meester is de baas en als dat niet zo is, iets wat tegenwoordig helemaal niet vreemd is, dan is hij in ieder geval iets meester. Bij de brandweer kun je met elkaar meester worden. Maar het sein brandmeester wordt toch echt gegeven door iemand die de baas is. Brandmeester seinen doe je niet de hele dag door. Brand is tenslotte geen booming business en daarom doen brandweermannen er dingen bij. Ze geven vergunningen af en kijken of de baas van de kroeg wel de dingen doet die hij moet doen om de vergunning te houden. Kortom, als er even geen brand is, kun je de tijd ook besteden aan dingen die maken dat je het nog rustiger krijgt. Als het dan eenmaal zover is of je werkt gewoon ergens waar het nu eenmaal weinig brandt, dan kun je af met vrijwilligers.

Tenminste, dat was tot voor kort zo. De vrijwillige brandweer kan bijna geen personeel meer krijgen en wie nu vrijwillig branden bestrijdt, stopt ermee. Brandweerkazernes sluiten de poorten en de Kamer stelt vragen. Los van het feit dat je met facultatief branden blussen niet rijk wordt, zien de spuitgasten steeds meer bureaucratie en ervaren een tochtend gat tussen de brandweerbazen en henzelf. Als de pecunia de drijfveer niet is, dan trekt het blussen van branden je om en andere reden. De teamspirit, de techniek; de dingen die maken dat je gemotiveerd raakt en je tijd en energie wilt stoppen in het bedwingen van hete vuren.

De brandbazen hebben hun vingers gebrand aan het koele besturen. Onder druk van geld te kort en resultaatgerichtheid zochten zij heil in vinken, turven en normeren. Volkomen logisch, want als bazen in het openbaarbestuur waren zij van de laatste lichting die opging in het meet-en-weet-sturen. Met de terugtrekkende overheid ontstond een bestuurlijk vacuüm dat zich snel vulde met spannende Anglo-Amerikaanse managementverhalen. Ook in de zorg zitten er hier en daar ‘denkers’ op de blaren. Maar liefst 60% van de ziekenhuisverpleegkundigen overweegt de knellende banden met het ziekenhuis te verbreken. De hoop op enig herstel hebben zij verloren.

Je kunt er geducht de vingers aan branden. Veel beroepen waar dat gebeurt heeft het personeel een intrinsieke motivatie om in dienst te komen én te blijven. Brandweer, politie, zorg en onderwijs. Defensie is een aardige tussenvorm. Daar weten ze ondanks het bijzondere ‘respect’ voor het mens-zijn de menselijke maat redelijk te hanteren. Sinds het ontstaan van de eerste échte bedrijven, wordt de focus gelegd op structuur en hiërarchie. Bekend als industrieel of zelfs militair te noemen. Krijgslieden deden dat al eeuwen eerder en zijn misschien daarom nu wel de eerste die er ook weer mee stoppen. Zelfredzaamheid, eigen verantwoording in kleine teams, vakmanschap en niet te vergeten the Dutch approach in Afghanistan; allemaal signalen in onze krijgsmacht die duiden op een andere manier van organiseren.

Niet heel veel managementdenkers denken anders over organiseren. Denken over organisaties doe je in termen van structuren, denkers en doeners, richtingbepalende afdelingen en afdelingen die uitvoeren. Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is Karl Weick zo Amerikaans als het maar zijn kan. In 1969 schreef Karl een boek voor in de marge. Althans, veel opzien baarde het indertijd niet. Inmiddels wordt zijn gedachtegoed opgepakt door faculteiten, ondernemers en adviseurs die anders willen ondernemen en organiseren. Niet per definitie innovatief, maar wel op een bepaalde manier aangepast aan de huidige tijd. Karl Weick boetseert zijn denkbeelden en adviezen rondom termen als zingevend organiseren. Eigenlijk komt zijn pleidooi telkens neer op het aansluiten bij de drijfveren van mensen en hun bijdrage aan processen die nodig zijn om de diensten en producten van bedrijven te leveren. Zijn denkbeelden gaan dan ook niet uit van de harkjesstructuren die we gewend zijn te tekenen. Heel klassiek van boven naar beneden: visie, missie, strategie, beleid en na genoeg de uitvoering van dat alles. Van denken naar doen.

Weick heeft zijn tanden niet alleen gezet in ordinaire organisatievraagstukken, maar ook in een aantal buitengewone vraagstukken waarbij het niet-functioneren van de organisatie mogelijk leidde tot kleine en grote rampen. De vliegramp op Tenerife is voor ons Rijnlanders daarvan de bekendste. In zijn onderzoeken en analyses komt hij tot het inzicht dat organisaties die zijn georganiseerd rondom collectieve drijfveren, betrokkenheid en het proces dat er voor de klant toe doet, zich het best kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Klinkt als een open deur, maar meestal wordt toch eerst de visie bedacht, dan de structuur die nodig is om de zaak te bemensen en de mensen hadden we al, dus die gaan mee.

Misschien dat Karl Weick juist nu weer aan populariteit wint omdat het lijkt dat de ‘oude’ werkwijzen en manieren van organiseren onvoldoende duurzaam zijn. De kredietcrisis heeft aangetoond dat de Anglo-Amerikaan een brokkenpiloot is. In de context van Weick wordt vaak Abraham Maslow genoemd. De beroemde piramide die zijn naam draagt, stapelt de drijfveren van mensen en stelt dat de moderne mens alleen nog beweegt om erbij te horen of aan zelfontwikkeling te sleutelen. Abraham wordt een beetje ingehaald door nieuwe wetenschappelijke inzichten waarbij vooral in onze moderne maatschappij drijfveren van mensen toch met name vastzitten op verdedigen, verwerven, leren en sociale samenhang. Als we aansluiten bij de krasse denkbeelden van Maslow, zitten we met z’n allen onvast en wiebelig op de aangescherpte punt van zijn piramide. Volgegeten en voldaan zoeken we naar invulling van onze ik. Lawrence en Nohria menen uit verschillend onderzoek te weten dat het geen piramide is, maar dat afhankelijk van wie we zijn, onze drijfveren komen uit een doos met vier vakjes. Wie de juiste kijk op drijfveer ook te pakken heeft, Karl Weick adviseert organisaties uit te gaan van de processen die dicht bij de klant en de medewerkers staan. Dicht bij de drijfveren van mensen om aan een proces mee te doen. Daaruit volgt als vanzelf wat en wie nodig zijn om dat meest belangrijke proces te faciliteren. Staf volgt en managers zijn niet per definitie vrijgesteld om te managen en te denken. Briljant in de eenvoud en herkenbaar omdat het zo dicht bij ons ligt. Tot we fabrieken en bedrijven bedachten…
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/183</link><pubDate>vr,  05  feb  2010  10:06:57  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>inspectie roept op tot dialoog</title>
  	<description>
  	Inspectie gaat bestuurders afrekenen op zorgkwaliteit
Raden van bestuur en raden van toezicht moeten kwaliteit en patiëntveiligheid meer als kernactiviteit gaan beschouwen. Ze worden daar na 2010 ook op afgerekend. Dat stelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in het rapport ‘De vrijblijvendheid voorbij’.

In het rapport ‘De Vrijblijvendheid voorbij’ doet de inspectie verslag van een onderzoek onder instellingen waar besturen – vaak noodgedwongen – zich meer zijn gaan richten op de kwaliteit van zorg. In veel gevallen zijn ernstige calamiteiten aanleiding geweest voor bestuurders om het onderwerp kwaliteit en veiligheid hoog op de agenda te plaatsen.

De tijd is voorbij dat bestuurders vooral oog hadden voor budgetten en financiën en de zorg voor kwaliteit en veiligheid overlieten aan de werkvloer. Althans, als het aan de inspectie ligt. ‘Kwaliteit en veiligheid is een kerntaak van bestuurders, minstens zo belangrijk als de zorg voor de financiën’, zegt Wim Schellekens, hoofdinspecteur curatieve gezondheidszorg bij de IGZ. De patiënt is er de dupe van als bestuurders kwaliteit niet als kerntaak zien. Ze moeten de dialoog met zorgprofessionals op gang houden. Wanneer de veiligheid van de patiënt in het geding is moeten ze hard en tijdig ingrijpen. 

Voor de geestelijke gezondheidszorg doet de inspectie in het rapport nog een extra oproep: er heeft in de ggz weliswaar een professionaliseringsslag plaatsgevonden, maar de autonomie van de professionals lijkt er te zeer ingeperkt. En dat is weer niet goed voor de intrinsieke motivatie om verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit en veiligheid. ‘In de ggz zie je dat bestuurders te veel zijn gaan bepalen’, zegt Wim Schellekens. ‘Er is te weinig dialoog met de zorgprofessionals. Die laatsten moeten zich meer laten horen, meer een countervailing power zijn.'

bron: Psy, 27-11-'09
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/182</link><pubDate>di,  15  dec  2009  19:33:07  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>signalement</title>
  	<description>
  	&quot;Verpleegkundigen en verzorgenden moeten hun mond opendoen als er iets gebeurt dat naar hun idee niet door de beugel kan. Ze dienen in zo'n geval meer zelfbewustzijn te tonen tegenover leidinggevenden en artsen.&quot;

Dit zei directeur-generaal Paul Huijts van het Ministerie van Volksgezondheid in Den Haag toen hij onlangs (26 november) namens staatssecretaris Bussemaker een 'signalement' in ontvangst nam van de Raad van Volksgezondheid en Zorg over 'Dilemma's van verpleegkundigen en verzorgenden'.

Volgens het signalement zegt zeventig procent van de verpleegkundigen en verzorgenden steeds vaker geplaatst te worden voor morele dilemma's die worden veroorzaakt door factoren van buitenaf, zoals een krappere indicatiestelling door het centraal indicatieorgaan (CIZ) en personeelstekorten. Huijts meent, in navolging van het rapport dat het zorgpersoneel zich niet moeten verschuilen achter die factoren van buitenaf. Ze moeten hun verantwoordelijkheid nemen en niet in een slachtofferrol kruipen.

Het rapport gaat over alledaagse zorgkwesties, niet over de grote morele dilemma's zoals al of niet reanimeren en wel of geen euthanasie. Werkenden in de zorg dubben niet zozeer over wat goede zorg is, maar hun dilemma gaat over hoe goede zorg gegeven kan worden in een situatie die moeilijker is geworden door factoren van buitenaf. 

Veelvoorkomend zijn dilemma's die voortvloeien uit personeelstekort. Het gaat om keuzes als al dan niet doorwerken, om onderbezetting te voorkomen of al dan niet afzien van een vrije middag wegens ziekte van een collega. Genoemd worden ook een te snelle inzet te grote verantwoordelijkheid voor leerlingen.

De vereiste transparantie levert eveneens morele dilemma's op. Met de verantwoordingsplicht , de noodzaak om allerlei formulieren in te vullen, gaat naar de beleving van het zorgpersoneel te veel tijd verloren: tijd die beter besteed kan worden aan de zorg zelf.

Zeker de helft van de verpleegkundigen en verzorgenden worstelt met dilemma's rond collega's en artsen die naar hun inzicht geen goed werk afleveren, maar die ze daar vanwege de goede verstandhouding of vanwege de hiërarchische verhoudingen niet op durven aanspreken. 

Volgens de opstellers van het rapport moet de overheid aan de zorgverleners weer meer ruimte geven om zelf te bepalen welke zorg nodig is. Staatssecretaris Bussemaker vindt ook dat bij de indicatie de inzichten van de zorgprofessional een grotere rol horen te spelen, aldus Paul Huijts.

bron: Trouw 27-11-'09
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/181</link><pubDate>di,  15  dec  2009  19:22:21  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>Laf gedrag</title>
  	<description>
  	Bij het video-interview met Wiel Janssen over de jeugdzorg staat een anonieme reactie die twijfels zaait over de bedoelingen van Janssen. Onder het pseudoniem 'zorg' wordt Janssen verweten weer te willen eten uit de rijke ruif van de jeugdzorg. Hierbij wordt niet ingegaan op de concrete voorstellen die Janssen doet. 

Op deze site hechten wij erg aan het verantwoordelijkheid nemen voor je eigen standpunten. Niet voor niets is ons motto een combinatie van 'moed en vertrouwen'.  De prominente plaats die het video-interview inneemt op deze site is daar de uitdrukking van. Daarbij neemt de geïnterviewde verantwoordelijkheid voor wat hij/ zij zegt. Je wordt een 'talking head' en je komt twee weken in de etalage te staan.  Op deze site hebben we inmiddels een flinke verzameling van beeld-columns. Prachtig, omdat het stuk voor stuk mensen zijn die bereid zijn gebleken om op zeer persoonlijke  manier in het openbaar stelling te nemen. 

  
Ik realiseer mij in toenemende mate hoe bijzonder dat is. Er lijkt in Nederland een tweedeling te zijn. Aan de ene kant is er een kleine groep mensen die in het openbaar stelling durven te nemen; aan de andere kant is er een zeer grote groep die anoniem zijn mening spuit. Hoe groot die kloof is, wordt duidelijk als je bijvoorbeeld de Forum-reacties  bij kranten-columns  bekijkt. Bijna alle reacties zijn anoniem, onder een of ander (zogenaamd) lollig pseudoniem. Allemaal mensen die blijkbaar niet hun naam durven te verbinden aan hun mening. De grofheid van veel van de reacties is daar niet los van te zien. Wanneer niemand weet wie je bent, kan je zeggen wat je wil zonder daarop aanspreekbaar te zijn. 

Internet heeft dat laffe gedrag geïnstitutionaliseerd. Je vraagt je af waar al die bivakmutsen zo bang voor zijn? We leven toch niet in een totalitaire staat? In veel andere landen is men jaloers op de vrijheid die we hier hebben om voor onze mening uit en op te komen. Die angstvallige lafheid lijkt in Nederland breed verspreid te zijn. Ook op de werkvloer heerst die: angst om de collega aan te spreken, angst om met de baas in discussie te gaan. Het lijkt er wel op dat hoe groter de welvaart is, hoe groter de angst. 

In dit verband is er sprake van een rare paradoxale ontwikkeling in ons landje. De  keerzijde  van dat massale laffe gedrag, lijkt een steeds groter wordende behoefte aan 'moedige voorbeelden' te zijn. Het succes van Geert Wilders komt voor een belangrijk deel voort uit de bewondering van al die laffen voor de moed van Wilders om te zeggen wat hij denkt en dat hij de consequenties daarvan op de koop toe wil nemen. Dat is iets wat velen  niet durven. Zij zoeken een hele brede rug. Dit verklaart bijvoorbeeld  het verschijnsel dat Wilders tegen zijn  uitdrukkelijke zin een flinke groep aanhagers heeft die anonieme haat- en dreigmails stuurt naar iedereen die hem ook maar een strobreed in de weg legt. 


In een gezonde democratie discussiëren mensen  met open vizier, met naam en toenaam, op een fatsoenlijke manier met elkaar. Dat ideaal willen we in ieder geval op deze site graag uitdragen.   

  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/180</link><pubDate>vr,  11  dec  2009  11:37:20  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>RADEN VAN BESTUUR EN PROFESSIONALS GEZAMENLIJK IN OPSTAND.</title>
  	<description>
  	WANNEER KOMEN PROFESSIONALS EN RADEN VAN BESTUUR EINDELIJK EENS GEZAMENLIJK IN OPSTAND?  

Halverwege de jaren tachtig zien we dat ook binnen de gezondheidszorg om te komen tot ‘efficiënt organiseren’. Nadat het communisme was gevallen stond niets meer in de weg om voluit te gaan voor een ‘neoliberale organisatie’ binnen de gezondheidszorg. Niet de werkvloer staat inmiddels centraal, maar de managers en de Raden van Bestuur. De professionals, alsook de managers worden beschouwd als deel van een bedrijfmatig productieproces, wat zich onder meer uit in technocratische taal. 

Het ‘produktiedenken en tijdschrijven’ zijn inmiddels een ideologie geworden binnen de gezondheidszorg. Tot op zekere hoogte is hier zeker iets voor te zeggen. Het is helemaal niet gek wanneer je geld ontvangt als gezonheidszorginstelling dat je op transparante wijze verantwoording aflegt. 
Maar het is volkomen doorgeslagen wanneer kolummen en staten het doel worden en niet langer het middel. Niet de cliënt, zo schijnt, staat centraal, maar alles wat te meten is. Alsof het niet langer gaat om het contact tussen mens en mens; zorgverlener en zorgontvanger. Maar ja, dat is natuurlijk niet meetbaar en derhalve van ondergeschikt belang. Op deze wijze wordt het de professionals steeds moeilijker gemaakt om plezier in hun werk te hebben en daar zingeving aan te ontlenen.  Dat niet alleen, maar zeker zo erg: Op deze wijze worden cliënten geofferd op het altaar van ‘ptoduktiedenken en tijdschrijven’. Dat hier niet massaal door professionals en Raden van Bestuur in opstand gekomen wordt is beschamend.  

Op de werkvloer wordt steen en been geklaagd, vooral bij de koffie. Het is de schuld van de managers, de directie, Den Haag, maar niet bij ons, de professionele zorgverleners. De klaag- en angstcultuur is toegenomen. De enkeling die zich verzet loopt het gevaar rake klappen te krijgen. Verpleegkundigen en verzorgenden zijn te braaf en te gehoorzaam. Weigeren in opstand te komen om op te komen voor zowel de aan hun toevertrouwde zorgvragers als hun professie. De Raden van Bestuur zijn blij met deze houding van gehoorzame dienstbaarheid en zwijgen. En ook zij weigeren in opstand te komen om het voor de zorgvragers en professionals op te nemen. Zij zien het als hun taak besturen en managen.  Zij willen rust in de tent en van verpleegkundigen en verzorgenden hebben ze nauwelijks iets te vrezen. Dat de zorgvrager hier de dupe van is, schijnt niet te deren. Ook de managers doen wat zij moeten doen en of dat wel dan niet in belang is van de zorgvragers is maar zeer de vraag. Iedereen schijnt zichzelf gevangen gezet te hebben in een opgericht eigen bolwerk. De prijs hiervoor wordt uiteindelijk betaald door de zorgvrager. Tot wie, vraag je je menigmaal, als verpleegkundige af, dringt dit besef door en hoe valt deze ontwikkeling te doorbreken?

Politici hebben de neiging om de boel te sussen. En zien vervolgens niet in dat de doofpot inmiddels uitgroeit tot een beerput. Raden van Bestuur willen graag naar buiten toe de schone schijn ophouden. Managers doen hun werk en verpleegkundigen zijn, zo als vanouds: dienend in het wit: braaf, gehoorzaam, zwijgend, klagend en steunend. Dit ondanks de toegenomen professie die niet blijkt uit hun houding. 

Zij zijn, de grootste en machtigste groep binnen de gezondheidszorginstelling en het zijn zij die het voor de zorgvragers dienen op te nemen en in opstand te komen tegen de Raden van Bestuur om hen te dwingen om gezamenlijk met verpleegkundigen en verzorgenden in opstand te komen. Om gezamenlijk te eisen voor professionele en humane zorgverlening. Verpleegkundigen en verzorgenden dienen niet te wachten voordat de Raden van Bestuur bereid zijn om hen zeggenschap te geven zij moeten het opeisen en eisen om gezamenlijk in opstand te komen. 

Maar wie durft? Sla ik de plank mis wanneer ik stel: Bijna niemand. Dat verpleegkundigen en verzorgenden en hun beroepsorganisaties niet de moed hebben om in opstand te komen? Waar zijn verpleegkundigen en verzorgenden bang voor? Bang om hun baan te verliezen? Bang om het zwarte schaap te worden in het team? 

Sla ik de plank mis wanneer ik stel, dat de Raden van Bestuur rust in de tent willen hebben en dat zij van mening zijn dat hun directieven in gehoorzaamheid en zwijgzaamheid dienen te worden opgevolgd? Waarom zijn zo bang voor opstandige verpleegkundigen en verzorgenden? Zijn zij bang om hun macht te verliezen? Bang om hun goede naam te verliezen? Zijn zij bang de politiek op hun dak te krijgen, of de Inspectie? 

Is mij stelling juist: Dat zowel de professionals als de Raden van Bestuur bang zijn en daarom elkaar in een houdgreep houden? 

En dat doet zich natuurlijk de vraag voor: Gaat het nu wel of niet om de zorgvrager? Is deze bijzaak, of hoofdzaak? Deze vraag geldt ook politici: 
Gaat het om de zorgvrager of om het afleveren van een product? 

Ik weiger de vinger te wijzen naar managers, Raden van Bestuur of de professionals op de werkvloer. Mijn vinger wijst naar alle betrokkenen. Ook de patiëntenverenigingen die weigeren gezamenlijk in opstand te komen. 

Wat ik wel vind is dat de twee hoofdschuldigen zijn de professionals en de Raden van Bestuur. Van professionals mag worden verwacht dat zij professionele en humane zorg verlenen en van de Raden van Bestuur als eindverantwoordelijken dat zij dat in alle opzichten mogelijk maken. De professionals en de Raden van Bestuur dienen niet elkaar’s tegenovergestelde te zijn, maar bondgenoten en dienen daarom gezamenlijk garant te staan dat er professionele en humane zorg verleend wordt. 

Beiden hebben de morele plicht om, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk op te komen dat de zorgvrager centraal staat en niet het meetbare, maar juist het niet-meetbare. Het meetbare en het niet meetbare moet in gezond evenwicht zijn en momenteel is deze volkomen uit balans. Het moet in de gezondheidszorg gaan om wat werkelijk telt. Menselijkheid. Binnen de gezondheidszorg is de verbinding tussen zorgvrager en zorgverlener cruciaal. Dat is de hart van de zorg. En de verbindingslijnen tussen zorgvrager en zorgverlener is geminimaliseerd, alle professionaliesring ten spijt. De professionals, de managers, de Raden van Bestuur, politici, patiëntenorganisaties en proberen elkaar van alles in de schoenen te schuiven.

Maar ook de inspectie staat hier ook niet buiten. Wat is haar taak? Hoe transparant is zij? Wat beoordeelt zij en hoe beoordeelt zij? Wat doen zij met binnengekomen klachten? Vindt de de controle die zij uitoefent voornamelijk op papier plaats; op de papieren gegevens van management en Raden ven Bestuur? Wat verstaat zij onder professionele en humane zorgverlening? Gaat zij uit van verbinding tussen zorgverlener en zorgvrager of staat vooral het meetbare centraal?  Komt zij aangekondigd aan of niet aangekondigd en bezoekt zij alle afdelingen van de zorginstellingen? 

En wat is de visie van politici op zorg? Hoe definiëren zij goede gezondheidszorg? En is hun visie tijdens de verkiezingstrijd anders dan die na de verkiezingsstrijd? 

En hoe zit het met de zorgverzekeraars? Hoe kijken zij aan tegen professionele en humane zorgverlening? Gaat het hen om rationalisering (bezuinigen) of om professionele en humane zorgverlening? 


Zowel de professionals als de Raden van Bestuur hebben kennelijk nog steeds niet door waar het omgaat. Het gaat om macht, zo simpel ligt het. Degene die de macht hebben bepalen het beleid, zij bepalen in hoeverre er professionele en humane zorg verleend wordt. Raden van Bestuur en de professionals hebben de macht om de broodnodige verbinding tussen zorgvrager en zorgverlener te herstellen. Zij kunnen dat alleen door de handen ineen te slaan en gezamenlijk in opstand te komen. Beiden hebben elkaar nodig en dienen naar elkaar bruggen te bouwen en niet met de ruggen naar elkaar te staan. Zij dienen gezamenlijk in opstand te komen, ondanks dat dit niet past in een poldermodel. 

Mijn stelling is: Zolang de professionals en de Raden van Bestuur niet samen optrekken en gezamenlijk professionele en humane zorg afdwingen; niet gezamenlijk afdwingen om de verbindingslijnen te herstellen tussen zorgverleners en zorgvragers is er sprake van een gebroken en misvormde ethiek. Professionals en Raden van Bestuur dienen gezamenlijk met elkaar open en eerlijk te spreken over de ethische uitgangspunten van hun beider beroep en een ethiek ontwikkelen die de een niet buiten sluit, maar juist elkaar insluiten. 

Wanneer beiden erkennen dat er zaken duidelijk niet goed zijn, kunnen deze gezamenlijk opgespoord worden, en er een stappenplan gemaakt worden hoe daar intern uit te komen en kan men ook gezamenlijk, jawel in opstand, naar buiten treden.  Hier is durf voor nodig, moed en bezield zijn. 

De voorwaarde hiertoe is dat Raden van Bestuur niet bang zijn dat hele organisatie dan een levende organisatie wordt en niet een dode, waar alles strikt vastgelegd is en ieder zijn plaats kent en zodoende beheersbaar. Dat de professionals het unform van dienen in het wit, in gehoorzaamheid en zwijgen durven uit te trekken. Een dode organisatie werkt verstikkend, dus dodend en brengt geen leven voort. De vraag is durven beiden dit proces aan. Wat mij betreft zullen ze dat moeten als de patiënt werkelijk centraal staat. 

Beiden moeten de moed hebben om de patiënt centraal te stellen en niet het bedrijf, het bedrijf is doel en de patiënt het doel. En niet andersom. Het bedrijf 
dient er gericht te zijn op zorgverlenen en niet om het bedrijf zichzelf boven de hulpvrager te plaatsen.  

Ikgeef toe. Ik ben een ouderwetse verpleegkundige. Vroeger lachtte ik met het woord roeping. En nu, denk ik, was dat woord echt zo gek? Ik kreeg mijn beoordeling hoe ik met de patiënten om ging, of ik hen wel goed verzorgde. En elk moment kon de verpleegkundig directeur binnenstappen, want die deed regelmatig zo zijn ronde om te zien hoe het was op de afdeling. Tegenwoordig hebben leidinggevenden en de Raden van Bestuur het druk met kennelijk echte belangrijke zaken. Zie ik mijn collega’s met de rug naar de patiënten zitten achter de computer. Hoe symbolisch: De verpleegkundige met zijn rug naar de patiënten gehoorzamend en zwijgend aan zijn superieeuren. Een pijnlijk beeld.  Ik heb niets tegen computers, maar wel wanneer zij inmiddels, zo schijnt,  doel zijn geworden en de patiënten middel. Nee, ik zeg niet die goeie ouwe tijd, daar valt best het nodige van af te dingen. Maar om nu te zeggen dat het tegenwoordig allemaal zoveel beter is, is gewoon niet waar. Wat duidelijk beter was de solidatrteit van directeur tot de professioals op de werkvloer voor hen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Dat kunnen we inderdaad zeker leren van het verleden. 

Wat we van die goeie ouwe tijd in elk geval wel kunnen leren is: dat zorg geen product was. De zorgvrager is geen consument die inkopen doet, maar is kwetsbaar en ziek of gehandicapt. De patiënt beschouwen als een consument en de gezondheidszorg als een fabriek die productie aflevert is getuigt van een verwrongen en misvormde ethiek. En hier dienen professionals en Raden van Bestuur gezamenlijk tegen in opstand te komen. 

De zorgvrager centraal stellen dwing je niet af  door als Raad van Bestuur braaf achter ontwikkelingen aan te lopen die niet kloppen. De zorgvrager centraal stellen bereik je niet als zorgverlener door gehoorzaam en zwijgend in het wit te dienen. Dat bereik je door gezamenlijk in opstand te komen. 

Gezamenlijk in opstand komen in plaats van overleggen en nog eens overleggen (polderen). Al dat gepolder heeft de gezondheidszorg echt geen goed gedaan. 
Het wordt echt tijd dat gezamenlijk opstaan en in opstand komen. 




  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/179</link><pubDate>za,  05  dec  2009  00:04:49  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>Gaan de economen hun denken beteren na de crisis?</title>
  	<description>
  	Iedereen is rationeel en markten werken perfect. Dit soort theoretische dogma's van economen, hebben er toe geleid dat zij blind zijn geweest voor de rampzalige tekortkomingen van de markteconomie.  Het is hoog tijd voor een diepgaande herbezinning binnen de economische wetenschap. Te meer omdat economen buitengwoon veel invloed hebben op de politiek. Tot een dergelijke herbezinning - met de titel Revitalizing Economics After the Crash - roept een petitie op in de vorm van het volgende citaat van de Nobelprijswinnaar economie Paul Krugman:

Few economists saw our current crisis coming, but this predictive failure was the least of the field’s problems. More important was the profession’s blindness to the very possibility of catastrophic failures in a market economy ... the economics profession went astray because economists, as a group, mistook beauty, clad in impressive-looking mathematics, for truth ... economists fell back in love with the old, idealized vision of an economy in which rational individuals interact in perfect markets, this time gussied up with fancy equations ... Unfortunately, this romanticized and sanitized vision of the economy led most economists to ignore all the things that can go wrong. They turned a blind eye to the limitations of human rationality that often lead to bubbles and busts; to the problems of institutions that run amok; to the imperfections of markets – especially financial markets – that can cause the economy’s operating system to undergo sudden, unpredictable crashes; and to the dangers created when regulators don’t believe in regulation. ... When it comes to the all-too-human problem of recessions and depressions, economists need to abandon the neat but wrong solution of assuming that everyone is rational and markets work perfectly. (New York Times, September 2nd, 2009.)

De petitie kan ondertekend worden op http://www.ipetitions.com/petition/revitalizing_economics/?e

De petitie is al ondertekend door 2286 personen, vaak met commentaar. 
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/178</link><pubDate>vr,  04  dec  2009  16:27:05  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>technocratisering van psychiatrie is een morele misdaad</title>
  	<description>
  	  
Detlef Petry was tot voor kort als psychiater werkzaam in de Maastrichtse instelling Vijverdal(hij is onlangs met pensioen gegaan)  Onder invloed van het neoliberalisme is er veel veranderd binnen de psychiatrie. Alles draait steeds meer om efficiëntie, markteconomie en concurrentie. Petry schetst als de Eminence Grise die hij is, een beeld van de gevolgen voor personeel en patiënten en spreekt zijn zorg uit.
 

Bezieling en beheersing 
 
Dertig jaar werk ik als psychiater in Maastricht aan de rehabilitatie van chronisch psychiatrische patiënten
en hun naasten. Toen ik in 1978 begon was er nauwelijks interesse voor deze groep en het wekte verbazing dat ik me als psychiater met ‘uitbehandelde patiënten’ bezig wilde houden. Er was weinig geregeld binnen de psychiatrie. De basis was een wet uit 1830, die regelde dat patiënten onder curatele gesteld konden worden, en de Krankzinnigenwet uit 1884; een zeer repressief uitgangspunt. Omdat het niemand interesseerde, hadden mijn collega’s en ik de eerste tien jaar alle tijd en vrijheid om met de rehabilitatie van deze mensen een nieuwe weg in te slaan: te streven naar eerherstel als gelijkwaardige mensen en burgers.
Halverwege de jaren tachtig begon een geleidelijke omslag: van structuur van burgerschap naar managementstructuur. Er kwamen nieuwe opleidingen met als doel de psychiatrie op een ‘wetenschappelijke basis’ zo efficiënt mogelijk te organiseren. Na de ineenstorting van het communisme bleek aan het einde van de jaren tachtig dat het kapitalisme definitief had gezegevierd en dat niets meer een ‘neoliberale’ reorganisatie van de psychiatrie in de weg stond. Alles en iedereen werd gezien als deel van een bedrijfsmatig productieproces, dat zo efficiënt mogelijk uitgevoerd moest worden. Markt economieen concurrentie werden toonaangevend. Het begon met reorganisaties binnen de instellingen en er sloop een nieuwe technocratische taal binnen: projecten, divisies en managers die het roer in handen namen.
Het percentage managers binnen de organisaties groeide snel: in de Verenigde Staten en Canada ligt het inmiddels op 13,5%, binnen Europa is Nederland koploper met 6%.Bovendien ontstonden door fusies tussen instellingen steeds grotere organisaties, ‘concerns’, getooid met nieuwe namen die niets met de psychiatrie te maken hebben. Een van de grootste instellingen in het Limburgse Venray heet sindsdien ‘Van Gogh-Instituut’. In de jaren negentig ging dit proces, door Frits Bremer ‘overkoepeling’ genoemd, nog sneller. Inmiddels zijn we ook binnen de psychiatrie midden in de kapitalistische markteconomie beland.
 
 
Veranderingen
Inmiddels wonen een paar honderd patiënten, die vroeger in onze inrichting verbleven zelfstandig of in een beschermde woonvoorziening in de stad Maastricht en omliggende dorpen. Zij worden al twintig jaar door ons begeleid op alle levensgebieden. Een kleine groep, ‘de harde kern’ woont in mooie huizen aan de rand van de kliniek. Dit zijn de mensen die jarenlang binnen de psychiatrie verwaarloosd zijn. Het dagelijkse leven staat centraal en ook zij worden meer en meer tot medeburgers. Hun professionele begeleiders zijn we ‘levensbegeleiders’ gaan noemen om duidelijk te maken wat het tijdsperspectief en de inhoud van hun werk is. In Maastricht wordt volgens de principes van een buurtgerichte psychiatrie gewerkt. In de vier stadsdelen zijn centrawaar ambulante zorg, dicht bij de burger, geboden wordt. Sinds 1990 kent Limburg een organisatie met de naam Horizon, waar 170 vrijwilligers even veel patiënten als maatjes begeleiden. We beschikken dus over een groot aantal professionele en vrijwillige hulpverleners die al jarenlang met hart en ziel werkzaam zijn.
In het kader van de overkoepeling van dit primaire proces door de markteconomie ontstaat steeds meer kritiek
op deze praktijk en wordt regelmatig de vraag of die economisch verantwoord is gesteld. Zoals de Duitse neuroloog Klaus Nouvertné jaren geleden al voorspelde, zijn we allemaal in de ban van de ‘grote rekenmachine’ geraakt. In het digitale tijdperk beheerst de computer alle aspecten van het dagelijkse leven. Door de samenwerking tussen de staat, de computerbranche en de zorgkantoren ontstaat een machtsdriehoek: een vorm van ‘staatstherapie’?
 
 
Probleemcatalogus
Voor psychiatrische problemen wordt een soort catalogus (DSM IV) gebruikt. De problemen van onze patiënten worden vergeleken met de hierin omschreven categorieën en ze worden op deze basis geclassificeerd. Daaraan wordt een speciaal voor deze probleemclassificatie ontwikkeld behandeling protocol gekoppeld. Deze universele behandelingsprotocollen worden gezien als adequate behandeling voor de problemen van psychisch zieke mensen. Het persoonlijke perspectief van de patiënten, de manier waarop zij hun problemenervaren en beleven blijft buiten beschouwing. Daarmee gaat deze technocratische ontwikkeling voorbij aan de eigenlijke kern van het psychiatrische werk: het tussenmenselijke contact en de dialoog. Medewerkers worden technocraten die geüniformeerde inhoudelijk sturende controle- en beheersinstrumenten uitvoeren.
Spil van dit proces vormt het ‘elektronisch patiënten dossier’. Dat biedt de mogelijkheid een bijna eindeloze hoeveelheid informatie over patiënten op te slaan – zij het in technocratische taal. De privacy van zeer persoonlijke gegevens komt in gevaar. In Maastricht zijn we gestart met het schrijven van ‘levensboeken’; samen met de patiënten en hun familie en in begrijpelijke taal. Er komen alleen zaken in waar de betrokkenen het over eens zijn. Het zijn trialogische levensboeken die in schril contrast staan tot het elektronische patiëntendossier.
Een ander kernstuk van het elektronische dossier is de Diagnose Behandel Combinatie. Aan een objectieve ‘productbeschrijving’ wordt een behandelingstraject gekoppeld. De kosten worden op basis van de behandelingsactiviteiten berekend. Geld stuurt het proces. Wij hebben samen met onze patiënten jarenlang gewerkt aan het doorbreken van het stigma dat aan een diagnose kleeft. Nu worden we gedwongen opnieuw te stigmatiseren met een DSM IV diagnose. Dat voelt als verraad tegenover mijn patiënten. De DSM IV is in mijn ogen een geïnstitutionaliseerde vorm van patiëntenhaat.
Iedere dag moeten we onze activiteiten in het elektronische patiëntendossier invoeren, met een codenummer waaraan een som geld gekoppeld is. Deze nummers worden door het zorgkantoor nauwkeurig getoetst, pas na toetsing wordt betaald. Bovendien kan het zorgkantoor op elk moment een onverwachte controle van de dossiers uitvoeren en mocht er iets niet kloppen het budget van onze instelling korten. Vanuit het perspectief van de verzekeraars zijn patiënten in de eerste plaats verzekerden. Hun devies: zorg voor patiënten kost geld en de kosten moeten laag blijven. Zorg verwordt op deze manier tot beperking van schade. Meer hierover is te vinden op de VrijePsych, een site die samengesteld is door verontruste psychiaters en therapeuten.
 
 
Procesmanagement
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook directie en management van onze instelling door deze veranderingen onder druk staan. Wie niet aan de normen voldoet gaat failliet. Ze zijn zich terdege bewust van de enorme druk die opde hulpverleners uitgeoefend wordt. Ons ethisch moreel dilemma laat ook hen niet onberoerd. Wij moeten dagelijks leven met: enerzijds goede zorg bieden, zoals we dat al jaren gewend zijn, en anderzijds buigen voor de dagelijkse prestatiedwang. Lastig omdat de verantwoordelijkheid voor de patiënten botst met de verantwoordelijkheid voor de instelling. Door intensieve dagelijkse oefening worden we steeds handiger met de computer, maar de tijd die daarvoor nodig is gaat af van de kostbare tijd voor de patiënten.
Het antwoord van de instellingen die nu op de markt van de psychiatrie als ‘aanbieders’ om het geld van het zorgkantoor moeten concurreren, is ‘procesmanagement’. Hoe goedkoper zij hun product aan de ‘ondernemer’ zorgverzekering aanbieden, des te groter de kans bovenaan op de lijst te komen als het geld verdeeld wordt. Daarbij is het van belang dat het product voorzien is van een door de overheid erkend keurmerk. Alle delen van het product moeten regelmatig gecontroleerd worden, zodat vastgesteld kan worden dat de kwaliteit voldoende is en dat bij lage productiekosten de vereiste productie gehaald wordt. De druk op de hulpverleners is duidelijk voelbaar. Er worden normtijden voorgeschreven die exact vastleggen hoe lang het contact met de patiënt mag duren. Voor de psychiater, als duurste hulpverlener, is dit teruggebracht tot tien minuten per contact. Wie meer tijd nodig heeft wordt gedelegeerd aan goedkopere hulpverleners. Verpleegkundigen en maatschappelijk werkers mogen 30 tot 45 minuten aan de patiënt besteden. De psychiater wordt zo opnieuw tot een ouderwetse specialist, die eigenlijk alleen nog maar de diagnose moet stellen en de vereiste behandeling – meestal medicijnen – moet vastleggen. In onze gemeenschappelijke praktijk zijn we elkaar in de loop der jaren als gelijkwaardige teamleden gaan zien. We hebben respect voor elkaars professionele en menselijke kwaliteiten. De hiërarchie die wij in ons team al lang overwonnen dachten te hebben komt via de achterdeur weer binnen. De hechte samenwerking,nodig om jarenlang en vaak levenslang met zwakkere patiënten te kunnen werken, wordt door deze ‘nieuwe hiërarchie’ ondermijnd.
Vroeger maakte ik uitstapjes met patiënten, naar hun geboorteplaats, of naar hun ouders. Dat kostte veel tijd, soms wel een hele dag voor één patiënt. We vonden het belangrijk patiënten in contact te brengen met hun verleden: ‘rehistorisering’. Het lijkt erop dat dat nu onmogelijk wordt. Een ander, bijna niet te bevatten voorbeeld uit een instelling voor dementiepatiënten: hulpverlener en patiënt hebben beiden een ‘smartcard’ (elektronisch kaartje) om hun hals. Zodra ze voor een gesprek of een zorghandeling contact hebben,
moeten beiden de kaart in een apparaatje steken dat de ‘contacttijd’ op de minuut nauwkeurig registreert.
Samenvattend kun je zeggen dat het procesmanagement, met voortdurende controle alleen het secundaire proces (de overkoepeling van de zorg door de markteconomie) toetst en dat kwaliteitsmanagement noemt. De kwaliteit van het primaire proces,van wat zich tussen patiënt en hulpverlener afspeelt, wordt niet gezien, laat staan getoetst of gemeten. In een tijd waarin psychiatrisch onderzoek vooral uit is op kwantificeerbare resultaten die het begeerde etiket ‘evidence-based’ opleveren is er weinig aandacht voor kwalitatief antropologisch onderzoek. Toch hebben juist pogingen in deze richting voor onze patiënten belangwekkende resultaten gehad.
In 2007 ontving ons rehabilitatieproject 200.000 euro voor kwalitatief onderzoek naar onze praktijk. De titel van dit project luidt: ‘Ongelijke burgers: relationeel burgerschap’. Het richt zich juist op het effect dat tussenmenselijke relaties voor het herstelproces hebben. Eerste lichtpuntje of een echte doorbraak? De tijd zal het leren.
 
 
Dwangbuis
Het geschetste proces is in de eerste plaats een aanval op de bezieling van de hulpverleners. Hun praktijk, steunend op jarenlange ervaring, wordt door dit rationaliseringsproces overkoepeld en ondermijnd. Hulpverleners voelen zich niet serieus genomen en in hun beroepseer aangetast, wat tot algemene vervreemding leidt. De hulpverlener ziet zichzelf niet meer als deel van een organisatie die streeft naar het gemeenschappelijke doel van goede zorg. Dat leidt weer tot wantrouwen en afweer.
Als hulpverlener word je vooral beoordeeld op grond van je productie en niet op de inhoudelijke kwaliteit van je werk. Voor de dagelijkse praktijk betekent dit ’s ochtends en vooral ’s avonds aan de computer zitten en
minder tijd voor de patiënten. Vaak moet je de deur dicht doen om tijd voor de computer te hebben. Als een patiënt binnenkomt, zitten we met het gezicht naar de computer en de rug naar de patiënt. Is dit het einde van de dialoog? Vroeger zat ik niet aan de computer, maar bij de patiënt aan de ontbijttafel! De invoering van normtijden en elektronische dossiers heeft hier een einde aan gemaakt. Deze ontmenselijking heeft onoverzienbare gevolgen voor het vertrouwen tussen hulpverlener en patiënt. ‘Ben jij nu gek geworden of ik?’, vroeg een patiënt die ik al dertig jaar ken mij onlangs. ‘Weet je wat, we gaan die paperassen verbranden op de brandstapel van Jeanne d’Arc en dan smeren we hem. We moeten hier weg!’ zei een patiënt toen hij me achter de computer zag met de enorme stapel formulieren op mijn bureau. Hij ziet haarscherp hoe ik onder de hele toestand lijd en wil me uit mijn dwangbuis bevrijden. De wereld van de psychiatrie staat op z’n kop. Vroeger waren het de patiënten die in een dwangbuis zaten. Ook de taal tussen ons is veranderd. Vroeger spraken we een taal die voor beiden begrijpelijk was, omdat die wortelde in jarenlange gemeenschappelijke levenservaring. Nu sluipt een vreemde taal ons dagelijkse leven binnen. Als ik over het levensprobleem van een patiënt praat, moet ik weer een diagnose gebruiken. Terwijl we jarenlang probeerden dit levensprobleem te begrijpen en er samen aan te werken, moet ik het nu opnieuw stigmatiseren en objectiveren. Ook dit leidt tot vervreemding. Vonden we vroeger soms dat patiënten verward spraken, nu heeft de patiënt de indruk dat ík verward spreek.
 
 
Zelfstandigheid onder druk
Kijken we naar de tastbare en praktische gevolgen van dit proces voor de patiënten dan zien we dat het proces van overkoepeling over de hoofden van de patiënten heen is gegaan. Tijdens dit proces kwamen er steeds nieuwe regels en voorschriften die hen overspoelden; onze zwakkere medeburgers zien door de bomen het bos niet meer. Hierdoor hebben ze natuurlijk meer ondersteuning nodig en komt hun zelfstandigheid en zelfbeeld onder druk te staan. Ze begrijpen de wereld niet meer. Waren onze patiënten in de jaren zestig betrekkelijk rijk, nu zijn ze arm. Het begon ermee dat ze vanaf 1983 een eigen bijdrage aan de AWBZ moesten betalen. Sindsdien hebben ze nog ongeveer 250 euro zak- en kleedgeld. Als je bedenkt dat een pakje sigaretten al vijf euro kost, kun je je voorstellen wat er over blijft. Ze moeten beknibbelen op de kwaliteit van hun rookwaar en zijn wat kleding betreft aangewezen op tweedehands winkels. Hun kleren laten wassen kost ook nog eens 50 euro per maand. Sinds 2006 moeten patiënten zelf hun belastingformulier invullen. Ook daarbij hebben ze natuurlijk hulp nodig. Nogal wat ‘normale’ mensen komen er zelf niet uit. Het moet nog op de computer ook! Voorts is de mobiliteit van patiënten ernstig ingeperkt. Reiskosten naar de stad moeten ze zelf betalen. Voor ieder buskaartje moet gestreden worden. De verzekering vergoedt alleen nog liggend transport naar het ziekenhuis, als je ernstig ziek of halfdood bent. In het kader van de WIA (wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) zijn alle langdurig werklozen de afgelopen jaren opnieuw gekeurd om na te gaan of ze niet in het arbeidsproces ingevoegd kunnen worden. Ook onze zwakke medeburgers die vaak nooit gewerkt hebben. De angst en de onrust die deze herkeuring veroorzaakte moet je niet onderschatten. Zelfs de zwaksten onder ons worden als potentiële producenten gezien. Enerzijds ‘product,’ anderzijds producent. De zwakste mag niet langer gewoon ‘patiënt’ zijn die onze liefde en zorg verdient, maar is een factor in de markteconomie geworden.
Voor leuke en ontspannende activiteiten is helemaal geen geld meer. Voor vakanties, uitstapjes en zelfs het traditionele Sinterklaasfeest moet extern geld gezocht worden. We moeten bedelen bij liefdadigheidsinstellingen. De tuinmeubels staan er vervallen bij, omdat er geen geld voor nieuwe is. De wereld van onze patiënten wordt kouder, kaler en armer. Vanwege de invoering van de WMO barst de concurrentiestrijd pas goed los: steeds meer aanbieders, ook buiten de psychiatrie, proberen een graantje mee te pikken. Zo is de huishoudelijke ondersteuning, tot nu toe in handen van professionele hulpverleners, voor de markt vrijgegeven. Ieder schoonmaakbedrijf kan nu meedingen naar de gelden van de gemeente. Hoe kunnen minder robuuste mensen zich in deze strijd handhaven? Dat kunnen ze niet alleen. Weer hebben ze hulp nodig en worden ze steeds meer hulpbehoevend en minder zelfstandig. Het uitgangspunt van de gemeente is dat burgers in eerste instantie voor zichzelf verantwoordelijk zijn, daarna moeten ze aankloppen bij hun familie, en pas als dat niet lukt bij de gemeente. Burgers met psychische problemen zijn daar niet toe in staat, maar dit besef is bij gemeentes onvoldoende aanwezig.
 
 
Ontzieling
Wat de wetgeving betreft was en is Nederland heel progressief in vergelijking met de rest van Europa. Dat geldt eigenlijk ook voor de basisverzekering en de WMO. Maar de dominantie van de markteconomie en de zogenaamde kostenexplosie van de gezondheidszorg ondermijnt deze progressieve wetgeving. Bepaalde groepen ouderen moeten binnenkort gaan meebetalen aan hun AOW. Door de verandering van de WOA in de WIA worden zelfs onze patiënten gezien als potentiële producenten. Dit betekent een uitholling van de opvang voor mensen met psychiatrische problemen.
Inmiddels weten we dat de marktwerking bizarre vormen aan kan nemen. We krijgen te maken met een managementapparaat dat een steeds groter deel van het budget van de instelling opslokt en voortdurend nieuwe plannen, protocollenen controleprocedures verzint om de organisatie te moderniseren en de medewerkers achter de vodden te zitten. De auteurs van het managementboek Intensieve menshouderij, Peters en Pouw, hanteren dit begrip, een analogie uit de veeteelt, ook op de VrijePsych.
Het management is gericht op expansie, wil de markt veroveren met steeds betere producten (diagnosen), het image oppoetsen met telkens nieuwe slogans en in het oog springende logo’s en flitsende reclame, zelfs op televisie. Intussen lopen er steeds meer gekwetste hulpverleners rond met frustraties en onderhuidse woede. Hun roeping en het respect voor hun vakmanschap zijn hun ontnomen. De neoliberale regering heeft de afgelopen jaren de markeconomie aan de psychiatrie opgelegd, zonder dat het middenkader daarbij betrokken werd en zonder bij de invoering een gepast tempo te betrachten. Het was raadzaam geweest bij de uitvoering van de wetten te bedenken voor wie die bedoeld waren. Er was meer bescheidenheid en vooral medeleven met de zwaksten van de samenleving nodig geweest. Had het werk van de professionele hulpverleners tot voor kort vooral met persoonlijke relaties en individuele mensen te maken, de macht van de economisering reduceert hen tot gehoorzame schakels die abstracte richtlijnen en modellen moeten uitvoeren, alles in het kader van meer efficiëntie en ‘output’.
 
 
Van burger naar product
Hoe is het intussen met de eer van de patiënten? Jaren geleden begonnen hulpverleners zich in te zetten voor hun eerherstel als burgers: rehabilitatie. Komt hun eer door de technocratische overkoepeling niet opnieuw in gevaar? Vroeger waren zij het slachtoffer van een repressieve psychiatrie. Nu dreigen ze slachtoffer te worden van een technocratische marktideologie in de psychiatrie, waarbinnen voor hen geen enkele rol is weggelegd. Van échte inspraak van patiënten kan in dit over hun hoofden heen rollende proces geen sprake zijn. Ze zijn niet opgewassen tegen de concurrentiestrijd, ze kunnen niet ‘meedingen’ en ze kunnen niet produceren. Ze zijn zelf ‘product’ geworden! Wat ze in deze tijden nodig hebben zijn onze solidariteit, zorg, nabijheid en liefde. Voor wat er gaande is heb ik geen andere woorden dan dat het gaat om een morele misdaad die de wereld berooft van haar bezieling en de verhouding tussen mensen onderling verstoort. De cultuur moet gezien worden als wereld van levenspraktijken, waarin mensen (leraren, politieagenten, hulpverleners) zich kunnen ontwikkelen. Waar ze zelfstandig en eervol hun beroep kunnen uitoefenen en zich verantwoordelijk voelen voor het algemene belang. We hebben te maken met cultuurverlies, het is een kwestie van eer om hier een antwoord op te vinden.
Tot slot wil ik een voorzichtige poging tot een antwoord wagen.
Relaties tussen patiënten, hun familie en hulpverleners, die zich dikwijls over jaren uitstrekken, moeten gezien worden als kern van iedere psychiatrische praktijk. Hoe dit werk ook wordt georganiseerd, het moet deze levenspraktijk dienen. Zo kunnen psychiatrische diensten tot menselijke, de eer van ieder mens respecterende kiemcellen worden, waarbinnen de psychiatrie gehumaniseerd en niet getechnocratiseerd wordt.
 
Detlef Petry
Uit: Sozialpsychiatrische Informationen (36) 3/2007.
Vertaling: Michi Almer
www.devrijepsych.nl website verontruste psychiaters
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/177</link><pubDate>vr,  04  dec  2009  08:48:24  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>samen duwen</title>
  	<description>
  	
http://www.deggzlaatzichhoren.nl/archief/mail/mail20091201.htm
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/176</link><pubDate>wo,  02  dec  2009  12:41:54  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>parlementaire enquete!</title>
  	<description>
  	Yes!

Werkers en patiënten uit de zorg hebben zich verenigd in Aktiegroep Zorgcrisis en gaan een petitie voordragen die vraagt naar een parlementaire enquête naar de effecten van marktwerking in de zorg.

http://www.zorgcrisis.info/

De deksel is van de beerput aan het afvliegen en laat zich niet meer terugleggen!

Ik hoop dat er verhalen gaan komen nu,
zoals, op het groepsblog
het verhaal van Wiel Janssen (voormalig directeur Jeugdzorg Amsterdam) van gisteren
van Wim Jongejan (huisarts) op 10 oktober
Martin Beeres (huisarts) op 6 september
en, bij de video's
Irene Hadjadakis (verpleegkundige Thuiszorg) http://beroepseer.nl/videos/55/sector/19   
Jaco van Hoorn (districtschef politie Holland Midden) http://beroepseer.nl/videos/34/sector/15
en Jos Lamé (directeur Riagg Rijnmond) http://beroepseer.nl/videos/30/sector/2



Het soort van verhalen die recht uit het hart komen,
vanuit eigen ervaring, ondervinding en praktijk,
van professionals uit de publieke sector,
uit alle hoeken en gaten, 
onderwijs, zorg, politie
en uit alle lagen.


Het blog van deze site als onafhankelijk platform
een landelijk digitaal dorpsplein
voor beroepszeer
waar professionals hun eigen verhaal komen vertellen
waar je naar toe kunt gaan om je gesteund te weten en inspiratie op te doen.

Er kan veel veranderen, en dat gaat ook onvermijdelijk gebeuren, voorwaarde daarvoor is kennis delen.
We leven in een digitaal tijdperk, laten we daar optimaal gebruik van maken!

ps
Ik zeg 'digitaal' tijdperk, maar feitelijk zou je beter kunnen zeggen dat we in een revolutionair tijdperk leven.
De oude structuren zijn aan het instorten, ook de manier waarop tot nu toe bestuurd werd. Van bovenaf, de macht lag in de top, en dat kon ook, want daar lag de kennis, en die kon afgeschermd worden. Dat kan nu niet langer, kennis is van iedereen, mensen kunnen razendsnel met elkaar in contact komen en kennis delen. Dat is m.i. de reden dat oude bolwerken instorten, en daar liggen ook precies de mooie nieuwe kansen om van onder af een nieuwe besturingsfilosofie tot stand te brengen.
De besturingsfilosofie is dood, leve de besturingsfilosofie!
Niet langer verticaal, maar horizontaal, niet langer iemand in de top die, los van God en het primaire proces, iets bedenkt, maar vernieuwende initiatieven  vanuit contact en verbinding in het primaire proces zelf!

Het begin ligt bij het elkaar gaan vertellen van onze verhalen. Dat is de eerste kennis die gedeeld moet worden.


  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/175</link><pubDate>vr,  27  nov  2009  14:56:01  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>WRR en overlevenden van Meavita</title>
  	<description>
  	&lt;p&gt;Bondgenoten,&amp;nbsp; De WRR lezing vandaag 26 november 2009 in Den Haag ging over de overheid als keuzearchitect. De Amerikaan Richard Thaler gaf een inspirerende inleiding over hoe je menselijk gedrag kan sturen en dat je mensen altijd iets te kiezen moet geven. De WRR deed zelf onderzoek naar de wijze waarop door mensen keuzes worden gemaakt. Het boek over dit onderzoek &amp;acute;De menselijke beslisser&amp;acute;eindigt met de conclusie dat mens en omgeving elkaar be&amp;iuml;nvloeden. Dat kan positief zijn als bondgenoten, mits je verbinding maakt met elkaar.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;Dit, nu gefundeerde, inzicht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid hebben de meeste professionals in de zorg, (en andere publieke sectoren) waarschijnlijk al lang beseft. Pati&amp;euml;nt en hulpverlener, pati&amp;euml;nt en omgeving be&amp;iuml;nvloeden elkaar: verstandelijk, psychisch, ook emotioneel en moreel. De Overheid be&amp;iuml;nvloedt professionals in hoge mate in hun beleving, maar hoe is dat omgekeerd? Dat is zeer de vraag. Vakbonden en beroepsorganisatie vertegenwoordigen niet het geluid van hun achterban waarvan er nu zovelen, functioneel en moreel in de knel zitten. Dit speelt bijvoorbeeld nu al maanden in de thuiszorg in Den Haag, na het uiteenspatten van de megastore thuiszorg Meavita.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;Ook vandaag blijkt dat in Den Haag professionals in de thuiszorg opnieuw g&amp;eacute;&amp;eacute;n eigen keuzes mogen maken, maar voorschriften krijgen van hoger hand. Het gaat om naleven van wetten, protocollen, regels, registraties en voorschriften over planning en control. De enige boodschap van het management is, hoe het n&amp;oacute;g effici&amp;euml;nter moet. Geen keuzes, geen eigen handelingsruimte, maar dwang, soms van intimiderende proportie. Niet de vakbekwaamheid en de aandacht voor de pati&amp;euml;nten wordt erkend en gehonoreerd, maar wel de minuten, de productie en het geld. Geld dat eerst wegrolde naar de zichzelf te duur betalende bestuurders in een bovenmaatse holding en geld dat nu met tonnen wegvloeit naar interim managers en externe organisatie adviseurs. &lt;/p&gt;
&lt;p&gt;In een aantal Haagse wijken is de thuiszorg langzamerhand tot ver onder het aanvaardbare gedaald. De inspectie staat op de stoep, huishoudens vervuilen, pati&amp;euml;nten huilen en zorgverleners verharden uit zelfbescherming of blijven onuitputtelijk loyaal tot ze met een burn-out thuis moeten blijven. Een deel van de verpleegkundigen en verzorgenden loopt zich nog steeds het vuur uit de sloffen, anderen houden het voor gezien, het zal hun tijd wel duren. Ze doen wat ze opgedragen krijgen maar verder kijken ze niet &amp;hellip; meer. Toch is er nog steeds een harde kern die de krachten heeft gebundeld en actie voert om de aandacht van politiek en bestuurders te krijgen, www.zorgcrisis.info luidt hun website, het is een landelijke Noodklok voor de thuiszorg en thuishulp, ABWZ, WMO en PGB. Zij&amp;nbsp;zijn heel moedige zorgverleners.&amp;nbsp;&amp;nbsp;Vanuit hun innerlijke motivatie en trots, laten ze het er niet bij zitten. Zij zijn bereid ondanks alle tegenslag om de regie weer in handen te nemen. Om te doen wat de pati&amp;euml;nt verwacht: vakbekwaam, betrouwbaar en betrokken het werk doen. &lt;/p&gt;
&lt;p&gt;De keuzearchitecten van de Gezondheidszorg moeten uit de schuilkelders van VWS komen en in december op de OV-fiets stappen, de Haagse wijken in!&amp;nbsp; Samen met de thuiszorgers de handen uit de mouwen steken en de pati&amp;euml;nten met extra aandacht verwennen. Als zo&amp;rsquo;n onorthodoxe reactie tot stand komt, ontstaat er weer verbinding van mens tot mens en ook tussen professionals en overheid. Dan kan in 2010 het decennium van het slopende wantrouwen en de&amp;nbsp;miskenning misschien worden achtergelaten en kunnen er nieuwe stappen worden gezet met een overheid als bondgenoot. Een overheid die luistert, respect toont en respect en vertrouwen verdient van de vakmensen die het echte werk doen voor de publieke zaak. Lees dit niet vrijblijvend, maar verzamel moed en pak de handschoen op.&lt;/p&gt;
  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/174</link><pubDate>vr,  27  nov  2009  10:25:11  +0100</pubDate>
  	</item>
  	<item>
  	<title>De jeugdzorgwerker wordt steeds kwetsbaarder (uit mijn boek 'Vertrouwen in de Jeugdzorg')</title>
  	<description>
  	Jeugdzorgwerkers staan dagelijks in de frontlinie van complexe opvoedingsproblemen. Of zij resultaat boeken hangt in de eerste plaats af van de kwaliteit van de  werkrelatie die zij met de cliënt kunnen leggen. Dát zou het uitgangspunt van alle beleid om hen heen moeten zijn. Maar het is andersom. Zij lijken wel de laatste schakel in de beleidsketen. Die beleidsketen start bij de publieke opinie en loopt via de verschillende overheidslagen in de richting van de instellingen. Doordat die afzonderlijk onder hun eigen provincie vallen, is er geen effectief gezamenlijk overleg met de overheid. De status van het veld, is inmiddels, mede onder invloed van de verdeeldheid in eigen kring, zo laag, dat instellingsbestuurders vooral worden gezien als “uitvoerders van beleid”. Dat is uiteraard vervelend voor die bestuurders en voor de werkgeversorganisatie, maar het is fnuikend voor de ontwikkeling van de beroepspraktijk. In plaats van dat de dagelijkse ervaringen van professionals hun “weg omhoog” vinden en vertaald worden in nieuwe bestuurlijke en politieke inzichten, lijkt er steeds meer overheidsbeleid in de vorm van regenbuien naar beneden te komen. Wanneer  professionals onvoldoende kunnen schuilen achter hun eigen leidinggevenden en steeds kwetsbaarder worden voor direct ingrijpen van buitenaf, bijvoorbeeld via inspecties, politici en publieke opinie, krijgen ze het gevoel dat ze door de maatschappij in de steek worden gelaten. Dat leidt tot meer twijfelende en onzekere medewerkers die steun bij elkaar zoeken en zich afwenden van alle regeldruk. Dit heeft uiteraard effect voor de aard van de relatie die deze professionals aan kunnen gaan met hun cliënten. In principe een relatie waarin een zekere vorm van overwicht, gezag en respect besloten zou moeten liggen. Net zoals bij de huisarts, zeg maar. Als een hulpverlener niet gesteund en gecorrigeerd wordt binnen een professioneel systeem, raakt zijn kwaliteit grotendeels afhankelijk van persoonlijke kenmerken. Dat laatste is een bekend verschijnsel bij de afnemers van het BJZ. “Je hebt nu eenmaal goede en slechte gezinsvoogden”. 
Wanneer een jeugdzorgwerker zich niet sterk genoeg voelt in het contact met zijn cliënt of van alles krijgt aangereikt, maar niet datgene wat hij nodig heeft, kan hij die cliënt proberen te ontlopen. Bijvoorbeeld door zich af te schermen door middel van regels en formaliteiten. Hij probeert zich juist aan een betekenisvolle relatie met zijn cliënt te onttrekken, omdat hij die niet kan vormgeven. Een bekend verschijnsel is een professional, die zich verschanst achter zijn formele bevoegdheden. Mocht hij echter wel doortastend optreden, dan krijgt hij te maken met een persoonlijk risico. Hij neemt ingrijpende beslissingen, die steeds vaker in het publieke debat worden aangevochten. Achter hem staat geen sterke sector met een wetenschappelijk referentiekader noch gezaghebbende vertegenwoordigers, die als opinieleider kunnen functioneren. Het is voor belanghebbenden derhalve vrij gemakkelijk om zijn  handelwijze in diskrediet te brengen. De aanhoudende kritiek op de jeugdzorg wordt door professionals als reden genoemd waardoor cliënten vaker grensoverschrijdend gedrag (durven te) vertonen. Hoezeer  de beroepsgroep zich onveilig en werkelijk door iedereen in de steek gelaten voelt bleek bij het voornemen van het O.M. om een  gezinsvoogd te vervolgen na de dood van het meisje Savanna. 

  	</description>
  	    <link>http://beroepseer.nl/doemee/blog/173</link><pubDate>do,  26  nov  2009  14:06:25  +0100</pubDate>
  	</item>
  	</channel>
</rss>